Negen euro vijftig

Het was een klamme zaterdagmiddag in Amsterdam. Ik stapte uit op het station Bijlmer ArenA en liep over de boulevard richting de Media Markt – de beste lopende van Europa. Schijnt. Voor het pandje van de Febo vocht een leger duiven om kruimels brood en restanten snacks. Die gilde kent geen vakanties. Merkwaardig genoeg lag een negroïde man tussen de vogels. Hij had zich gemengd in de strijd om de kliekjes. De duiven tilden niet zo zwaar aan zijn aanwezigheid. Sterker nog, hij was niet eens een geduchte tegenstander, daar je duidelijk zag dat hij vaker dan eens het onderspit moest delven als het aankwam op rapheid. De bezoekers van de boulevard keken niet om naar het schouwspel. Het was kennelijk bon ton, daar in Amsterdam.

Een verkenningstocht door de Media Markt bracht me naar de tweede verdieping, daar waar de computers en de bijbehorende accessoires zijn uitgestald. Net als buiten op de boulevard, was het ook in de winkel erg rustig. Weinig volk op de been. De hitte had het klootjesvolk naar de stranden en attractieparken gedreven. Want dat is een ongeschreven wet: als het kwik boven de twintig graden Celsius stijgt, mag het crapuul uit zijn schulp kruipen en zich begeven naar de locaties die vooraf door SBS6 zijn aangekondigd in Hart van Nederland. Na een expeditie over de computerafdeling liep ik terug naar de andere zijde van de winkel. Een vadsige verkoper met een vernis van lui zweet op zijn voorhoofd verkocht zojuist – tot zijn zichtbare vreugde – een televisie aan een oud echtpaar. Hij knipoogde naar mij. Een handeling die ik beantwoorde met een middelvinger.

Op de huishoudafdeling stonden twee geitende meisjes van amper twintig jaar, beiden gehuld in een rode blouse van de Media Markt en een zwarte pantalon, pathetisch te wijzen naar een neger die verderop een gesprek voerde met een van hun collega’s. Nadere beschouwing leerde mij dat de man die zij zo aanstellerig aan het uitlachen waren, dezelfde gozer was die buiten op de grond lag tussen de duiven. Hij voerde een conversatie met de medewerker op de afdeling Telecom. Deze homofiele ijdeltuit keek schamperend neer op de neger en wierp om de zoveel tijd een hautaine blik op zijn vrouwelijke collega’s, naast wie nu ook ik stond. De lelijke holtor werd aangesproken door een klant en verliet de neger zonder verdere uitleg. Dat was het moment waarop ik besloot om een praatje te slaan met het zwarte zwerversjong. Hij verkeerde in behoeftige omstandigheden, bleek.

‘Sir,’ zei hij, ‘can you help me?’ ‘I can barely help myself’, zei ik op mijn beurt. ‘What is your problem?’ Toen barstte hij los: ‘I live in church. I’m illegal in Holland. I’m from Somalia. I was first in Belgium but they caught me there. I gave print of finger to them.’ Dat was het moment waarop hij mij zijn pink liet zien. ‘I need a place to sleep and shower. The church wants negen euro vijftig each night. Can you help a poor soul?’ Het viel me vooral op dat hij negen euro vijftig in het Nederlands uitsprak. Met zijn hagelwitte ogen keek hij mij bedelend aan. Zijn lange voorhoofd was opvallend, maar dat viel in het niet bij de knoop in zijn oorlel. Ik had dat wel eerder gezien, bij Groeten uit de Rimboe, maar leefde altijd in de veronderstelling dat die lui gecast en opgesierd waren door de redactie van SBS6. Wat maakt het ook uit, dacht ik. Ik gaf de neger twee euro.

Ik liep intussen op de begane grond van de Media Markt, zocht nog even tussen de schappen naar iets van mijn gading, vond het niet, en nam me voor het pand te verlaten. Maar toen ik mij omdraaide richting de voordeur stond de Somaliër weer voor mijn neus. ‘Sir,’ zei hij, ‘can you help me? I live in Church. I’m illegal in Holland. I’m from Somalia. I was first in Belgium but they caught me there. I gave print of finger to them.’ Nu liet hij mij de zeven muntjes van twee euro zien die rustten in zijn vuile handpalm. Die neger was een zwendelaar. Bovendien had hij een slecht geheugen. ‘What are you going to do with that money?’ vroeg ik quasi-geïnteresseerd. ‘My daughter has aids. I need money for medicine.’ Na dat relaas besloot ik maar mijn geld van hem terug te pakken. Met rente. Hij dreigde agressief te worden.

Toen pakte ik mijn mobiele telefoon uit mijn broekzak. ‘I’m calling the police, focking junkie.’ Hij liep als een gewonde hinde de Media Markt uit. Buiten vatte ik post op een houten bankje voor de Febo. Ik had honger. Dan doe je dat. Met twee muntjes van de neger haalde ik twee kipburgers. Ze waren vies, overigens. Laat dat uitgesproken zijn. Op het moment dat ik wilde opstappen, met de hinderlijke zon in mijn ogen, zag ik dat de neger de medewerker van het snackhuis aansprak. Ik ging naast de neger staan, die mij wederom niet herkende. Toen bestelde ik, barmhartige Samaritaan die ik ben, een kipburger voor hem. Niet omdat het zijn geld was, waarmee ik betaalde, maar ook omdat ik veronderstelde dat hij onderwijl honger gekregen zou hebben. Dat bedelen kost energie. Hij weigerde mijn geste. Hij had liever het geld. ‘I need money for hospital. I’m sick.’