Oud leed

Omdat ik zowaar gewerkt heb het vorige jaar mag ik van de belastingdienst een T-biljet invullen. Het probleem is echter dat ik de ballen verstand heb van belastingen, daarbij ben ik allerminst handig met cijfers. Nog relevanter: ik ben aartslui. Mijn ouders laten hun papieren reeds dertig jaar invullen door een man uit Gorssel. Mijnheer Oosterveld. Ik belde hem op met de vraag of hij me een handje kon helpen. Dat was geen probleem. Sterker nog, als ik diezelfde avond kwam, zou hij de paperassen meteen invullen. Daarop toog ik met vriend S. richting het kleine dorp Gorssel en belandde in een vrij troosteloze straat. We stapten uit de auto en keken door het raam van het hoekhuis. Daar zat een oude man, doelloos voor zich uit te staren. Hem moesten we hebben.

Mijnheer Oosterveld was de boekhouder van Thomas en Drijver, een voormalige doppenfabriek uit het oosten van Nederland. In de jaren zestig en zeventig werkten er welhaast alleen maar gastarbeiders uit Italië en Turkije in de fabriek, onder hen mijn vader. Toen Thomas en Drijver steeds kleiner werd, veel werknemers hun heil elders gingen zoeken, bleef het gewiekste rekenwonder contact houden met de gastarbeiders die op de loonlijst hadden gestaan. Hij hielp (en helpt) hen met de financiële administratie. Uiteraard niet onbezoldigd.

We stiefelden naar de ingang van het huis en lieten de gedateerde bel schellen. Na ettelijke seconden opende mijnheer Oosterveld de deur en de geur van een kringloopwinkel nam ons in zijn greep. We mochten onze schoenen aanhouden en begaven ons rechtstreeks naar de woonkamer. Zijn interieur bestond uit tafels, kasten en stoelen die stuk voor stuk langer op de aardbol zetelden dan ik. Een forse klok aan de beigekleurige muur tikte nors. Het geluid maakte de sfeer in de woonkamer. Hij had zijn voorbereidingen getroffen. Een blanco papiertje lag op de eettafel. Wij mochten aanschuiven.

Ik wist niet hoe mijnheer Oosterveld er een kwart eeuw geleden uit heeft gezien, doch dat de jaren zijn sporen hadden achtergelaten was apert. Hij is een kleine man, met een bochel. Misschien was hij in de loop der jaren gekrompen, dat stelde ik me zo voor. De trui die hij droeg had menig modegril getrotseerd, net als de ouderwetse bril die op zijn grote neus rustte. Achter hem, aan de wand, hing een groot canvas met daarop de foto van een lachende vrouw. ‘Wie is dat?’ vroeg ik in al mijn onnozelheid. Hij draaide zich niet om, maar bleef me strak aanstaren. Hij noemde bedeesd haar naam. ‘Dat is mijn vrouw. Die is niet meer.’ Ik verontschuldigde me en hoorde hem zuchten. Het zilvergrijze haar op zijn kruin verried de vele jaren, maar het verdriet zat dieper verstopt.

Hij bestudeerde de papieren en riep ondertussen: ‘Ja, ja, ja, ja.’ Ik keek naar S., die zich wel kon amuseren om de grijsaard. ‘Dit is goed!’ riep mijnheer Oosterveld enthousiast. Hij vouwde de papieren netjes op, nam een slok van zijn kop thee die er al stond voor onze komst en zei dat ik veel geld zou terugkrijgen. Dat was goede tijding. Terwijl hij bezig was om aantekeningen te maken, viel mijn oog op een grote hoeveelheid kleine fotolijsten. Ze stonden op een kastje naast de televisie. Het waren allemaal foto’s van zijn overleden vrouw, gerangschikt op jaar. Links was ze jong, in het midden doemden de eerste tekenen van de vele jaren op en helemaal aan de rechterkant van de reeks was de vrouw ronduit bejaard. Ik keek naar mijnheer Oosterveld en begon te filosoferen over zijn leeftijd. Hij was ouder dan vijfenzeventig, dat wist ik zeker.

Hij nam ons trots mee naar zijn werkkamer, boven, waar een splinternieuwe computer van Acer stond en daaraan was een vierentwintig inch beeldscherm gekoppeld. Een dissonant met het overige interieur in het huis. Kennelijk was hij zich daarvan bewust. ‘Tegenwoordig moet alles via de computer. Ik heb dat allemaal moeten leren. Vroeger kon je formulieren invullen en opsturen.’ Hij keek somber naar de printer van het merk HP. Mijnheer Oosterveld legde aan vriend S. uit wat hij allemaal moest doen eer de aangifte volledig en correct terecht zou komen bij de belastingdienst. Onderwijl viel mijn oog op een foto aan de muur. Daarop prijkte een donkere vrouw. Ze keek vrij ernstig uit haar ogen, had sluik haar en mysterieuze groeven in haar gezicht. Zij was een andere vrouw dan die beneden, in de woonkamer.

‘Zo’, riep mijnheer Oosterveld trots, na amper vijf minuten. ‘Je krijgt voor 1 juli bericht.’ Hij draaide zich om en zag mij staren naar de foto met de onbekende vrouw erop. ‘Dat is Tiny, mijn vriendin.’ Het was een impertinente vraag, doch hij diende gesteld te worden. ‘Hebben jullie verkering?’ Zijn gezicht veranderde niet van uitdrukking. Hij was even stil. ‘We hebben het leuk samen.’ Hij sloot de computer af en dirigeerde ons naar beneden. Daar keek ik voor een laatste keer rond. Terwijl we buiten stonden, verzekerde hij ons dat alles goed kwam. Ik betaalde hem 25 euro en bedankte voor bewezen diensten. Vriend S. en ik liepen naar de auto. Vlak voor het instappen, wierp ik nog een laatste blik op het huis van mijnheer Oosterveld. Hij stond nog steeds fier op zijn deurmat. Hij keek voldaan en misschien een beetje gelukkig. Maar ik wist dat hij aan de meest slopende aandoening lijdt die er bestaat. Ouderdom. Mijnheer Oosterveld was oud.