Over het niets
En ik liep maar. Kilometers verslond ik. Het was alsof ik alle ellende van de wereld op mijn schouders droeg. Bovendien was ik verdwaald. Hopeloos verdwaald. Ik wandelde door een statige wijk, ergens aan de zuidzijde van Zwolle. In geen enkel huis brandde nog licht. Tot mijn verbazing liep een oudere man, stevig verpakt in donkere winterkleding, mijn richting op, met in zijn hand een spierwitte hondenlijn. Aan het uiteinde van het koord was geen hond te bekennen. Ondanks het grote gemis, liep hij onverstoorbaar door, zoals hondenbezitters zo routineus kunnen lopen. ‘Mijnheer,’ zei ik, ‘weet u misschien hoe ik thuis kom?’ Hij keek me aan zonder enige vorm van emotie in zijn helblauwe ogen. Hij was een man die zich neer had gelegd bij zijn lot, zonder illusies zou hij het leven uitzitten.
Ik noemde de naam van de wijk waarin ik woon. Hij dacht diep na. ‘Een prima wijk,’ concludeerde hij na ettelijke seconden. ‘Mijn vrouw heeft er ook gewoond, maar zij is inmiddels achttien jaar dood. De hond heeft haar nog meegemaakt. Hij sprong altijd op haar schoot als ze bij thuiskomst zetel nam op de poef.’ Ik zag hem wijzen op het koord. De ondraaglijke emoties van het verlies hadden zijn gezonde verstand vernietigd. Zijn grijze haren wapperden onstuimig op en neer, door de ijskoude wind had hij betraande ogen en een enorme ader prijkte pontificaal op zijn voorhoofd. Voorzichtig, ondanks de enorme hoeveelheid alcohol in mijn lichaam, wilde ik taxeren hoe slecht het met de man was gesteld, al was het maar om hem op te laten halen door mensen die wel raad weten met geesteszieke personen als hij. ‘Mijnheer, u weet dat u geen hond aan de lijn heeft?’
Hij haalde onverschillig zijn schouders op en keek naar de grond. ‘Natuurlijk weet ik dat,’ riep hij op een ander volume uit dan eerst, ‘ik ben niet van Lotje getikt, of denk jij dat?’ Nog steeds was zijn gezicht zonder emoties. Ik overpeinsde mijn mogelijkheden. ‘Maar heer, waarom loopt u dan op dit tijdstip met een hondenlijn door deze wijk en rept u over een hond die er niet is?’ Hij rolde het koord vakkundig op en stopte dat in zijn jaszak. Hij deed onverwachts een stap mijn richting op. De afstand tussen ons was nu nog amper twintig centimeter. ‘Waarom loop jij op dit tijdstip zonder hond door deze wijk?’ vroeg hij. ‘Ik ben dronken,’ zei ik direct, ‘ik ben op zoek naar mijn huis, maar kan dat niet vinden.’ De oude man begon hartelijk te lachen, alsof hij een psychopaat was die zijn slachtoffer zojuist de definitieve genadeklap had toegediend. Hij herpakte zich direct. ‘Maar waar is de alcohol dan?’ Hij keek ostentatief om zich heen, zocht wat op de grond en draaide in snel tempo om zijn as. ‘Ik zie geen alcohol, maar jij bent toch hier met alcohol?’
‘Die alcohol zit hier,’ zei ik bloedserieus. Ik legde mijn platte hand op mijn buik en wees met mijn vrije wijsvinger op een plek ter hoogte van mijn navel. De grijsaard bukte, legde zijn rechteroor tegen mijn buik en begon te luisteren. Ik wilde iets zeggen, maar hij maande mij stil te zijn middels een handgebaar. ‘Ik hoor alleen geknor,’ riep hij na een tijd te hebben geluisterd. ‘Wat is dat?’ Ik keek naar de man die intussen weer rechtop stond. ‘Dat is honger,’ antwoordde ik. ‘Oh,’ zei hij nu minder zelfverzekerd dan alles wat hij eerder had gezegd. ‘Dus je bent eigenlijk in deze wijk met alcohol en honger gekomen?’ Dat ik hier te maken had met een dwaas was onderhand duidelijk. Maar op welke manier ik van hem af zou komen, zonder dat hij zich zou opwinden, was een moeilijker punt. Hij stak weer van wal: ‘Wat is honger eigenlijk?’ vroeg hij. Hij legde een hand op zijn hoofd. ‘Dat is wanneer je lang niets gegeten hebt en je maag begint te protesteren.’
‘Ah!’ riep hij opeens enthousiast uit. ‘Dus honger is iets wat er niet is?’ ‘Uh,’ zei ik. ‘Ik denk het.’ Hij sprong triomfantelijk in de lucht, balde zijn vuisten en begon ineens enorm te lachen. ‘Hoe kan jij dan hier zijn met honger, als dat iets is wat niet tastbaar is?’ De gedachte ontsprong om die knakker met een linkse hoek de bek te snoeren. Maar ik gedroeg me voorbeeldig. Hij trok weer de hondenlijn uit zijn zak, ontrolde het ding en waggelde ijzerenheinig verder. ‘Mijnheer,’ riep ik hem na. ‘Nu weet ik nog steeds niet hoe ik thuis moet geraken!’ Hij draaide zich om. ‘Bel maar een taxi,’ fluisterde hij. ‘Ik heb geen tijd. Mijn vrouw is ziek. Ze drinkt graag thee met melk.’ Ik zette mijn tocht door de onbekende Zwolse straten voort en luisterde naar het geknor van mijn maag. Ik vroeg me af of ik werkelijk honger had, of liep ik maar wat te fabuleren? Ik liet met kunst- en vliegwerk een passerende taxi stoppen en noemde het adres. Hij wist van het bestaan van mijn huis af.