Over Louis-Ferdinand Céline

De vraag naar mijn favoriete schrijver wordt me dikwijls gesteld. Het antwoord is helder. Zijn naam is Louis-Ferdinand Céline. Waarom? Daarom. De man kon enorm ritmisch schrijven. Zijn boeken zijn net liederen. De cadans herken je direct als je zijn werk leest. Korte zinnen, enorm beeldend en bovendien bijzonder pregnant. Voorts was Céline de koning van het schelden in de literatuur. Zijn boeken zijn zwart, misantropisch en gelardeerd met galgenhumor. Ik heb een aantal fragmenten en zinnen verzameld voor de liefhebbers. Maar pas op. Literatuur van deze man is verslavend. Begin je aan de reis door zijn letteren, dan kun je niet meer terug.

Niet te geloven waar mannen op geilen! Op van die debiele, rachitisachtige, aan cellulitis lijdende, leeftijdsloze, zielloze monsters! Waarbij zelfs de allerergste priapische gibbonaap van neurasthenische walging z’n ballen af zou snijden.

Laat ze toch opdonderen! Mekaar in d’r kont neuken! Opvliegen, met gas in d’r reet voor dertigduizend scheten! Ik geef d’r geen hol om!

Vrouwen gedijen op alles… wat voor stront ’t ook is, ’t is altijd goed… net als bij bloemen… op de stinkendste mest groeien de mooiste…

Zet ’t maar uit je kop, slet! Met je vette reet! Met je wiebelbillen, slangendanseres dat je bent! Kijk maar uit! Ik zal jou es op een paal spietsen! Hoor je? Olijf! Dadel! Hoer!

Kon best zo wezen maar ik tippelde niet op die griet. Al spleet ze d’r hele kut doormidden, sneed ze ‘m in repen, helemaal voor mijn genoegen, al wond ze ‘m om d’r nek als ’n serpentine, al hakte ze zich drie vingers af om die in m’n hol te steken, al kocht ze zich ’n mossel van puur goud… Maar mij juinde ze niet op die meid!

Ze vouwt me zowat dubbel… ze douwt m’n neus erin… ’t glimt, ’t is kleddernat, m’n hals zit onder… ze laat me ’t zoenen… ik duik erin… eerst smaakt ’t naar vis en dan naar hondenkwijl…

Laat ie z’n pook maar tot ’t eind in d’r reet steken! Valt dat klerewijf me tenminste niet meer lastig!

Al die afgetobde tampen! Loeressen! Druipende lullen! Sijpelend en etterend! En boven alles, de Druiper! Koningin der Aarde! De reet haar troon! Zomer en winter verwarmd!…

Hij was ’n rasechte voyeur! Ze scheen monumentale dijen te hebben, je reinste zuilen, en dan d’r kuthaar, ’n vacht! ’t Bedekte d’r hele navel!

Niet kapot te krijgen die snol, ’t kan ‘r de bout hachelen de sloerie, zomaar in d’r blote reet zit ze!… naar wat voor tent heeft ie ons meegenomen die vampier, die fielt?…