Het was een doordeweekse dag, ergens in de maand juni, toen ik besloot een wandeling te ondernemen langs de kade van de rivier. Mijn hoofd liep om, een kwaal waar ik regelmatig last van heb. Ik wilde gewoon niet meer nadenken, godverdomme! Was dat te veel gevraagd! Op een bankje van vermolmd hout zat een jongedame met wie ik wel over het leven wilde filosoferen. Zij was een lekker wijf, en dat pleitte voor het meisje. Ik nam zetel op de lege plek naast haar. ‘Zo, daar zitten we dan,’ vatte ik samen. ‘Kom je hier vaker?’ Ze keek me met bloeddoorlopen ogen aan, drukte ineens beide handen tegen haar gezicht en begon te schreien als een kind dat net de baarmoeder vaarwel had gezegd. Dat is me wat, dacht ik onwillekeurig. Zo snel had ik nog geen enkel wijf aan het huilen gemaakt. Een aantal omstanders wierp een wantrouwige blik op ons. Die mensen dachten natuurlijk dat ik de bron van haar verdriet was. Ik sloeg een arm om haar heen en begon haar te troosten. Iemand moest het doen.
De onderstaande tekst heb ik geschreven voor mijn vriend en wapenbroeder Bas van der Veen. Vanavond is zijn website de lucht ingegaan. Een absolute aanrader voor mensen die schrander commentaar willen lezen op het nieuws van alledag. Bas is een cynicus, een scherpe observator en bovenal iemand die een verfrissende kijk heeft op maatschappelijke ontwikkelingen en discussies. In mijn gastbijdrage, die u ook hier op deze website kunt lezen, geef ik een “college dooddrinken”, ontvouw ik een aantal redenen om naar de fles te grijpen en ontboezem ik de ware betekenis van drank. Ik ontvang gaarne al uw reacties waarin u beschrijft dat ik moreel verwerpelijk ben, thuishoor in een psychiatrisch centrum en een schande ben voor alle mannen.
Lees basvanderveen.nl
Zij meende me te moeten onderwerpen aan haar moralistische prietpraat, vooral door te wijzen op mijn schandelijke levensvisie, waarbij in het bijzonder vrouwen het dikwijls moeten ontgelden. Ik probeerde de stroom van onnozele woorden die haar mond ontvloden te stelpen met vele glazen whisky, maar hoe meer zij dronk des te ongenadiger zij werd in haar verwijten aan mijn adres. Ze kon nog zoveel zeggen als ze wilde, desnoods tot de morgenzon ons zou begroeten, ik werd er niet door geraakt. ‘Sommige mensen kunnen hun eigen ketenen niet verbreken en toch hun vrienden bevrijden.’ Ze staakte even haar tirade en dacht na over mijn woorden. ‘Waar slaat dat dan op?’ vroeg ze. ‘Ik weet het niet. Vraag het aan Nietzsche, die klootzak heeft het bedacht. Maar het komt er in dit geval de facto op neer dat ik jou een ongelooflijk kutwijf vind, dat haar eigen frustraties en tekortkomingen verbloemt door mij aan te vallen.’ Het meisje sloeg haar glas whisky in een keer achterover. Ze zweeg.
Eerder, nog niet zo lang geleden, voelde ik altijd een drang, dikwijls gedreven door overmatig drankgebruik, om tijdens het uitgaan ruzie te maken met iedere klootzak die me niet aanstond. Laten we elkaar geen mietje noemen: ik was een gepatenteerde hufter. Een ruziemaker! Een onverbeterlijke patjepeeër! Tegenwoordig ben ik niet meer zo. Ik ben door de jaren heen verstandig geworden, denk ik. Als een Antiliaan nu met een schaapachtige blik en heupwiegend tegen me aan komt schuren, stoot ik niet de gouden tanden uit zijn bek, doch kies ik er simpelweg voor om elders in het café post te vatten. Ook wanneer ik aan de bar een doodeenvoudige jongen de hele nacht steevast spa rood zie consumeren, zoek ik niet langer de discussie met hem op. Ik trek zijn mannelijkheid niet in twijfel. Ik negeer die flikker gewoon. Hij doet maar, die halfzachte klootzak. Nu is alles anders, ja! Sterker nog, ik wil me tegenwoordig nog wel eens opwerpen als vredestichter tijdens vechtpartijen. Ik ben een goed mens.
Niet alleen ter wille van het cultiveren van een literair imago doch ook om de waarheid met eer en geweten te dienen, zal ik in deze eerste zin gewag maken van het feit dat ik stomdronken, of op zijn minst behoorlijk aangeschoten, het nieuwe café in de binnenstad van Deventer waggelend betrad. Nu was er geen bijzondere reden om me in een eerder stadium van die avond helemaal naar de kloten te drinken, sterker nog: ik dronk louter uit verveling een fles whisky leeg. In de nieuwbakken kroeg zag ik veelal oude gezichten. Dat was me wat, die bekende koppen. Je zou er wat van krijgen. Deventer is een mooie stad, begrijp me niet verkeerd, maar als je er welhaast een kwart eeuw hebt gewoond moet je niet hopen op een anoniem bestaan. Die zakkenwassers kennen je geschiedenis, al ken jij hen niet. Ik sloot me aan bij m’n kompanen en hoorde hen praten over alledaagse zaken. Het is dat er opeens een ravissant heerlijk wijf de tent kwam binnenlopen, anders was ik allang huiswaarts gekeerd.
