Poes en ik
De poes is verdwenen. Twee maanden voor haar verdwijning, na een nacht stappen in de binnenstad van Zwolle, zag ik haar voor het laatst. Toen heb ik haar zeker een half uur laten spinnen door al mijn zorgen met haar te delen en onderwijl kietelde ik haar in haar nekje. Dat vindt ze fijn. Eerlijk gezegd weet ik niet of zij een mannetje of vrouwtje is. Een vrouwtje vond ik wel een goed idee. De poes repliceerde niet en gaf mij ruimte om mezelf te zijn, onvoorwaardelijk en oprecht. Dat is één van de redenen waarom ik zo gehecht ben geraakt aan dat beest.
Een andere reden om van haar te houden is de beperkte verantwoordelijkheid die ik voor haar voel. De poes is namelijk niet van mij, maar van iemand die twee straten verderop woont in een kast van een huis. Zij hebben twee poezen, die mensen. Mijn poes is vlekkeloos wit en heeft gekleurde ogen. Bovendien heeft zij een erg dikke kop. Ik denk niet dat ze veel te klagen heeft. Zij beweegt zich altijd hautain voort op haar pezige pootjes en loopt geen extra meters als zij dat niet nodig acht. De buik van de poes was bij onze laatste ontmoeting zo vetgemest dat een lichte verzakking waarneembaar was. De poes had een hangbuik.
Een keer is zij mij gevolgd tot aan mijn huis. Toen twijfelde ik of het verstandig was om haar binnen te laten. Dat heb ik toch gedaan. De poes voelde zich meteen thuis, klom op mijn suède bank en ging er languit op liggen. Ze kwam op de koffie. Ik legde een bakje water voor de bank waarop zij lag, maalde stukjes kipfilet fijn en legde die naast het bakje. Mijn vriendin miauwde erkentelijk. Toch hielden wij het geen kwartier vol. We zagen beiden in dat we een grens hadden overschreden: onze ontmoetingen mochten alleen plaatshebben in het holst van de nacht, als niemand ons zou missen. Ik trok de deur open. Zij keek begripvol in mijn ogen en verdween.
Daarna veranderde er niet veel aan onze onderlinge betrekking. Iedere keer als ik ’s nachts uit de stad kwam lopen, siste ik een aantal seconden en dan sprong ze als een duveltje uit een doosje tevoorschijn – soms uit de bosjes maar even vaak uit het gat van de keukendeur. Ik nam altijd frikadellen voor haar mee, die ik uit de muur van Snackbar Sahara trok, de snacks van De Pinguïn vindt ze niet lekker. Ook dieren kunnen kennelijk kleingeestig zijn. Altijd als ze haar maaltijd naar binnen had gewerkt, mocht ik nog even met mijn rechterhand strijken over haar droge vacht en dan sloop ze weer weg, terug naar de mensen bij wie ze hoort. Nooit te vroeg, nooit te laat.
Nu is zij dus verdwenen en ik weet niet wat er met haar is gebeurd. Ik zou het wel willen vragen aan haar baasjes, maar vrees dat ik mijn band met de poes niet goed kan uitleggen. Bovendien vraag ik me af of ik dat antwoord wel wil horen. Ik heb minutenlang voor hun deur gepost en gehoopt dat het beest weer op zou duiken. Tevergeefs. Nu kan ik alleen maar speculeren over haar lot. Ik hoop niet dat ze verkocht is aan een onbekende familie, of nog erger: dat ze het leven heeft gelaten. Die angst leeft wel bij mij. Ik heb ook gekeken in het asiel, veel witte poezen gezien, maar zij zat daar niet tussen. De poes leeft nu als mythe door in mijn hoofd. Het waren mooie tijden.