Satire

Als schrijver, iemand voor wie de vrijheid van meningsuiting een belangrijk wapen is, volg ik de losgebarsten discussie over de grenzen van satire met grote belangstelling.

Er zijn wereldleiders die onze cabaretiers en komedianten willen muilkorven, met de Turkse president Erdogan als meest recente voorbeeld. Nadat hij de Duitser Jan Böhmermann officieel aanklaagde, met een fiat van bondskanselier Angela Merkel, ontstond er terecht een stroom van verontwaardiging, gevolgd door talloze hekeldichten van andere mensen, die op hun eigen manier wilden laten merken dat er aan onze vrijheid van expressie niet valt te tornen.

Ik ben een voorstander van elke kunstuiting die binnen de grenzen van de wet een maatschappelijk probleem aan de kaak stelt, of simpelweg de toehoorders wil amuseren.

Maar wat mij de afgelopen dagen ook opvalt, is dat veel artiesten, cabaretiers en columnisten de werkelijke functie van satire uit het oog zijn verloren. Er wordt naar hartenlust gescholden, belasterd en gebruuskeerd, en dat is allemaal prima, nogmaals: mits het binnen de grenzen van ons wetboek past.

Het doel is echter dikwijls ver te zoeken. Satire is pas waardevol als zij als middel wordt toegepast, een manier om ongenoegen te uiten, of een maatschappelijke ontwikkeling op een intelligente manier te duiden. Als satire een doel op zich wordt, een alibi om mensen te beledigen, gewoon omdat het kan, dan is dat uiteraard niet verboden, maar er moet niet raar worden opgekeken als slachtoffers van scheldpartijen zich beledigd voelen.

Er zijn nu te veel mensen die hun virulente afkeer van religies en volkeren verpakken in armoedige ‘satire’ en die als vrijbrief gebruiken om even lekker te vuilbekken.

Gelukkig hebben we geen fatsoenspolitie die bepaalt wat oorbaar is, maar ik hoop wel dat er in ons land betere satirici opstaan, die op ingenieuze en humoristische wijze onze principes beschermen tegen wereldleiders die zich dictatoriaal gedragen.

Dom schelden kan iedereen