Slachterij

… trad ik op in Het Vliegende Paard. Een café in Zwolle. De laatste keer dat ik er was, vijf of zes jaar geleden, vocht ik met de portier, omdat hij niet geloofde dat ik aan Hogeschool Windesheim studeerde. Dat laatste was wél het geval. Nadat ik die nare man op een kopstoot en vuistslag trakteerde, werd ik vrijwel direct door patrouillerende agenten ingerekend. Een memorabele avond.

Nu moest ik een interview geven, in dezelfde kroeg, ergens in een achterafzaaltje op de eerste verdieping. De interviewer had zich goed voorbereid. Het ging over discriminatie. Ik zei dat ik nooit was gediscrimineerd, op één keertje na, toevallig in diezelfde kroeg.

Er was niet veel publiek; amper vijftien man, misschien iets meer – dat kon ik niet goed zien, doordat de spotlights vol op mijn gezicht stonden gericht. Ik gaf een paar antwoorden, vertelde over mijn leven en wereldbeeld, en zocht na het optreden de bar op.

Tussen de flessen hing een scherm, daarop prijkte een stoere foto van mij.

Het was een aankondiging van het evenement.

Ik ging op een kruk zitten en maakte oogcontact met het blonde barmeisje, dat mij met enige argwaan bekeek, of misschien is terughoudendheid een beter woord.

‘Ik durf het bijna niet te vragen,’ zei ze. ‘Maar heb jij een studentenpas?’

‘Nee, ik gaf net een lezing.’ Voor de zekerheid wees ik naar het plafond. ‘Nu kom ik een drankje doen.’

‘Oooo, was jij dat – wat wil je drinken?’

Ik bestelde een glas Jack Daniel’s en keek om me heen. Een groepje corpsballen stond rond een hoog tafeltje. Ze droegen stuk voor stuk een vlinderstrik of stropdas. Het liedje Mambo Number 5 knalde uit de speakers. Ik keek naar het meisje achter de bar.

‘We zitten in het foute uurtje,’ schreeuwde ze. Vervolgens schoof ze een bord in mijn hand, daarop kon ik eventueel een verzoeknummer schrijven. Ik bedankte voor de eer.

Het foute uur hield gelukkig snel op, het volume van de muziek werd lager gezet. Het barmeisje kwam voor me staan, alleen de toog stond tussen ons.

Ze had grote borsten en een onnozele blik.

‘Wat voor boeken schrijf jij eigenlijk?’ vroeg ze.

‘Kookboeken. Ik heb ook een slachterij. Ik vermoord elke dag een paar kalveren. Vind je dat vies of gemeen?’ De blondine speelde met een plukje haar.

‘Nee, mijn vader had vroeger kippen. Ik heb er weleens eentje doodgeslagen.’

‘Heel goed,’ zei ik.

Een van de corpsballen kwam naast me staan, nu ja… Hij schommelde op zijn poten. Dronken als een dragonder. Hij was glad geschoren, of misschien had hij nog geen baardgroei, dat verschil zie ik nooit zo goed.

‘Wat studeer jij?’ vroeg hij.

‘Literatuurwetenschappen,’ antwoordde ik.

‘O, ik dacht bedrijfseconomie of zo. Dat doen de meeste Turken en Marokkanen, toch?’

‘Ik sluit het niet uit.’ Daarna stak ik mijn duim op. Hij vertrok weer naar zijn maten.

De klok op de wand confronteerde mij met het middernachtelijke uur.

Ik kwam van de kruk, trok mijn jas aan en zwaaide het barmeisje gedag.

In de gang, op weg naar de deur, liep een uitsmijter mij tegemoet. Ik keek eens goed naar hem. Hij was niet de man met wie ik vijf of zes jaar geleden had gevochten, maar een forsere collega. Hij staarde in mijn ogen, stak zijn handen in zijn zakken en tilde zijn kin op.

‘We hebben hier een besloten feest. Heb jij een studentenpas?’ Ik wees naar een ander scherm, boven een andere bar, en daar was mijn stoere foto weer.

‘O, excuses,’ zei hij. ‘We hebben in het verleden veel problemen gekend.’

Ik schokschouderde, het moet theatraal zijn overgekomen.

‘Het maakt niets uit. Nu ga ik maar snel naar huis. Morgen vroeg op. Ik moet een dozijn kalveren slachten.’

Hij wenste mij een fijne nacht. En veel succes.