Spontane confessies

Zowaar liep mijn ex-vriendin, een meisje dat de tirannie van de tand des tijds had moeten bekopen met diepe groeven in haar gezicht en een kont die evident in omvang was toegenomen, met ferme stappen op onze groep af, ongetwijfeld met het doel om een hartig woordje met mij te wisselen. Ik bleef quasinonchalant tegen de toog leunen, hield in de gaten of ze geen scherp voorwerp in haar hand had – waarmee ze me eventueel zou kunnen verwonden – en koos een strategische positie achter een vriend. Hij zou kunnen dienen als menselijk schild, niemand zou die hufter missen als hij vannacht werd doodgestoken. Terwijl zij onderweg naar mij was, recapituleerde ik in mijn hoofd in beeld en geluid de tijd die ik met haar heb doorgebracht. Het was een goede tijd. Leerzaam, vooral. Zij was het type dat nooit de stad inging. Ik daarentegen was niet uit het nachtleven te slaan. Als ’s morgens vroeg de zon opdoemde aan de horizon, holde ik naar buiten en schold haar uit voor ongelooflijke klootzak. Mijn ex-vriendin had toen al acht uur slaap erop zitten.

Zij wurmde zich langs een tweetal van mijn vrienden, ik draaide me haar richting op. Een glimlach van herkenning verscheen op haar gezicht. Daar kwam ze dan, mijn gesel van weleer, het meisje met wie ik twee jaar heb gelopen, onder het mom van verkering. Ze drukte twee zoenen tegen mijn beide wangen, de derde kus belandde ongelukkig op mijn neus, wat vooral te maken had met een glazenhaler die haar uit balans bracht. ‘Hoe is het met je?’ was de eerste onvoorspelbare vraag die ze uitsprak. Ik knikte onverschillig. Ik vroeg wat ze wilde drinken. Het werd een glas witte wijn. ‘Wat doe je tegenwoordig allemaal, joh? Ik hoorde dat je goed bezig was, met school en zo.’ Mijn vrienden keken moeilijk mijn kant op, vooral zij die bekend zijn met de relatie die ik destijds met haar had en de weinig gewetensvolle manier waarmee ik met die verkering omging. Haar vraag negeerde ik. Op mijn beurt vroeg ik wel: ‘Vond jij mij een aardige jongen?’ Ze keek ongemakkelijk over haar schouders, om er zeker van te zijn dat ik haar niet in de maling nam, en slaakte een zucht die ondanks de harde muziek hoorbaar was. ‘Jeetje. We hebben het toch leuk gehad?’

Dat kon ik niet tegenspreken. Het was al met al best leuk, die verkering met haar. ‘Waarom ging het ook alweer uit?’ Ze begon direct naar de vloer te staren nadat ik die vraag had gesteld. Ik groef diep in mijn geheugen, maar nee, het antwoord was ik kwijt. ‘Jij ging vreemd,’ prevelde ze ineens bedeesd. Dat was waar ook. Er viel een pijnlijke stilte. Twee van haar vriendinnen waren intussen ook onze kant opgelopen. Ze voerden gesprekken met mijn vrienden, zonder twijfel zouden zij straks ten prooi vallen aan hun versiertechnieken. ‘Maar nu het al zoveel jaren geleden uit is gegaan, wil ik toch iets bekennen,’ zei ik. ‘Ik ben regelmatig vreemdgegaan toen ik met jou had. Sterker nog, ik ging één keer per maand vreemd. Maar niet vaker, hoor. Dat had ik mezelf opgedragen.’ Haar ogen puilden uit, alsof ze tijdens mijn confessie een flinke lijn coke had gesnoven. ‘Ja, sorry. Na al die jaren wil ik toch schoon schip maken. Dat verdien je wel.’ Ze zweeg op een manier die ik niet van haar kende. Dat had ze vaker mogen doen, toen zij en ik nog samen waren, bijvoorbeeld.

‘En nu ik toch bezig ben,’ vervolgde ik, ‘jij leefde altijd in de veronderstelling dat ik nooit uitging. Ik belde je rond middernacht op, vertelde dat ik klaar was met werken en direct naar huis zou lopen. Dat was een leugen! Ik ging uit! Soms wel vier keer per week !’ Ze klokte in één keer haar glas leeg en ik bestelde, bij wijze van automatisme, direct een nieuw wijntje voor haar. ‘Soms belden we met elkaar en ik vertelde jou dat ik in bed lag, moe van de dag was en daarom het gesprek kort zou houden, daar ik wilde slapen. Dan was ik altijd al in de stad. Ik belde vanaf het huis van mijn broer, omdat het daar rustig was.’ Ze wilde iets zeggen, maar haar stem kromp na ieder woord. Ik verstond er niets van. ‘Ah lieverd, weet je… Eigenlijk heb ik nooit gewerkt. Dat verzon ik, zodat ik niet ieder moment bij jou hoefde te zijn. Daar drong jij altijd zo op aan, tot vervelens toe. Het geld dat altijd uit mijn zakken puilde, verwierf ik dikwijls met handel, soms braken we ergens in,’ ik wees naar mijn vrienden, ‘en zo nu en dan persten we iemand af. Maar je moet weten dat we alleen slechte mensen pakten. Een soort van Robin Hood stijl, zeg maar.’

Ik lachte, maar mijn ex-vriendin zag de humor van mijn verhaal niet in. Ze was altijd al een stijfburgerlijke trut. Zij keek naar haar twee vriendinnen, die luidkeels stonden te praten en lachen met mijn makkers. De wereld was een ingewikkelde plek om te leven en zowaar leek zij dat voor een eerste keer ook te beseffen. Ze had zich herpakt. ‘Dus je bent ongeveer dertig keer vreemdgegaan tijdens onze relatie?’ Ik staarde na het plafond en overpeinsde haar woorden. Na tien seconden zei ik: ‘Laten we zeggen twintig keer, we moeten niet overdrijven.’ Ze pakte haar glas wijn van de bar, gooide de inhoud op mijn fonkelnieuw overhemd en stoof uit de kroeg. Bij de deur zag ze dat haar vriendinnen talmden, waarop ze terugliep in de zaal, de twee meisjes beetgreep en ze hardhandig uit die tent trok. Het hoongelach en de pesterijen van mijn vrienden lieten me koud. Soms lucht het op, om te bekennen. Zij hield nooit van mij, dacht ik, maar van de betekenis die ze aan mij had gegeven. Hopelijk besefte zij dat nu ook. Het was sluitingstijd en wij besloten ons heil elders te zoeken, op een plek waar men nog wel whisky schonk. Onderweg vroeg ik me af of ik niet te oud werd voor deze manier van leven. Ik vond van niet.