Taakstraf (deel 1)

De laatste, Turkse, jongen stapte uit zijn BMW, liep onze kant op en nam zetel op het plekje dat nog beschikbaar was. We gingen op pad. In de bus keek ik eens goed om me heen. Op een puber na was ik de jongste van het gezelschap. Het was maandagochtend. De werkmeester floot een deuntje, draaide zijn raam open en plaatste zijn hand half op het dak van de Volkswagen Transporter. ‘Willem, waar gaan we eigenlijk heen?’ vroeg de kamper op leeftijd die in de passagiersstoel zat. Willem, de werkmeester, ontwaakte uit zijn overpeinzingen en keek over zijn schouder naar ons. ‘We gaan naar het bos, jongen! Biddinghuizen! Zeisen!’ Iemand schuin achter mij, een man van veertig met een zonnebril op, slaakte een diepe zucht. Ik wierp een blik op hem. ‘De vrouw, man. Ik heb het helemaal gehad met die hoer. Ik mag er ook niet meer op. Ze wil in Zwolle wonen, man. Ze rot maar mooi op.’ Ik knikte en wist dat mijn taakstraf begonnen was.

We kwamen aan op het terrein van Natuurmonumenten. Er stond een gele keet. Allengs begonnen de eerste gesprekken tussen de boeven. Willem had onderwijl de boswachter aan diens groene jas getrokken en gevraagd om koffie. ‘Tot hoe laat gaan we door, mijn jongen?’ vroeg de kamper aan mij. ‘Volgens mij zullen we om kwart voor drie wegrijden hier.’ Hij accepteerde mijn antwoord gelaten. ‘Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten, hè?’ Ik lachte hem vriendelijk toe. Nu kwam ook de man van veertig bij ons staan. ‘Hallo mannen. Ik ben Richard,’ zei hij. We gaven elkaar de hand. ‘Die vrouw van mij, man. Ik mag er ook niet meer op. Ze is in de overgang, zegt ze. Nou, ik niet!’ We moesten lachen. Hij vervolgde: ‘Maar ik heb het met haar gehad, man. Echt. Nu wil ze weer naar Zwolle verhuizen, om dichter bij haar ouders te zijn. Ze rot maar mooi op, man. Ik ben er klaar mee. Als ze weg is, pak ik mijn biezen en rijd ik naar Zuid-Spanje. Ik ben hier klaar, echt.’

Zijn verhaal werkte aanstekelijk op de andere mensen uit de groep. Een jongen met meer puisten op zijn gezicht dan tanden in zijn bek kwam bij ons staan. ‘Hoeveel uur moet jij?’ vroeg hij aan mij. ‘Tachtig,’ antwoordde ik. ‘Mooi kut, man.’ Op mijn beurt vroeg ik aan de grijze kamper hoeveel uren hij moest. ‘Nog ruim tweehonderd, jongen.’ Richard kwam er weer tussendoor. ‘Die hoer, die zit ook in de schuldsanering, hè? Dan wil ze op zo’n kamer zitten en leven van vijftig euro per week. Ze zal me nog missen, man. Ze zal het nog wel zien. Maar ik ben er klaar mee, man.’ De werkmeester kwam aangelopen met een pot koffie en een rol plastic bekertjes. ‘Drinken tuig, we rijden dadelijk naar het bos.’ De groep stond bij elkaar en er werd nog maar weinig gesproken. ‘Kut, kut, kut,’ hoorde ik iemand prevelen. Het was een jongen die er even oud uitzag als ik. ‘Wat is er, vriend?’ ‘Ik ben mijn zoon vergeten de sleutel van de scooter te geven.’

Ik keek hem ongelovig aan. ‘Je zoon?’ Hij bestudeerde het scherm van zijn mobiele telefoon en schudde zijn hoofd. ‘Kanker, geen bereik!’ Daarop plaatste hij de gsm weer in zijn groene trainingsbroek. ‘Ja, man. Mijn zoon. Hij is zestien. Ik ben drieëndertig.’ Een ondeugende glimlach verscheen op zijn gezicht. Na de koffie vatten we allen weer post in de witte bus. De Turkse eigenaar van de BMW zat aan mijn ene zijde, aan de andere kant zat Peter. Dat is de naam van de oude kamper. Peter begon in de bus te vertellen over zijn nicht Pollie. ‘Jongens, mijn nicht zoekt nog een goede vent. Ze is niet de slimste vrouw van het kamp, maar wel een goede meid.’ Hij begon te lachen. ‘Pollie vroeg mij laatst of ik haar wilde leren lezen. Ze is analfabeet, zo noem je dat toch?’ Hij zocht bevestiging bij mij. Ik knikte van ja. ‘Nou, ik zeg dus dat ze een leesbril moet kopen. “Kan je daarmee lezen?” vroeg ze aan mij. “Natuurlijk”, zei ik.’ Peter had moeite om zijn lach in te houden. ‘Dus zij naar die opticien met in haar tas een tijdschrift. Dat wilde ze graag lezen, want die andere meiden van het kamp lazen het ook.

Ze ging aan een tafel zitten, met dat blad voor haar neus en ze probeerde leesbril na leesbril. Die opticien vraagt iedere keer: “En nu? Kun je het nu wel lezen?” Pollie zegt natuurlijk steeds van niet. Na twaalf brillen is die man natuurlijk moe. “Kunt u überhaupt lezen, mevrouw?” Ze kijkt die vent verongelijkt aan. “Nee,” antwoordt Pollie. “Daarom ben ik toch hier, domoor.”’ Iedereen in de bus moest lachen. We kwamen aan bij een bosgebied en stapten uit. De Turk had dure lakschoenen aan en een overhemd van Versace. Willem liep zijn richting op. ‘Zou je dat wel doen, in die kleren?’ De BMW-rijder scande zijn outfit en zag kennelijk het bezwaar niet. ‘Je moet het zelf weten,’ vertrouwde Willem hem toe en hij liep naar de aanhangwagen. Iedereen kreeg een zeis. ‘Het is de bedoeling dat alle distels worden verwijderd, vanaf de wortel. Ik ga geen politieagentje spelen. Sterker nog, het kan me geen reet verrotten wat jullie daar uitspoken. Als het bos maar niet in de fik vliegt en niemand met snijwonden in zijn gezicht terugkeert.’

We ondergingen onze straf en waggelden met zijn achten naar het groen. Willem bezag nog even onze activiteiten doch vertrok vrij snel met zijn bus. Alsof het afgesproken werk was, stortte iedereen zich meteen ter aarde. Sommigen gingen languit liggen, anderen kozen er voor om in kleermakerszit plaats te nemen in het gras. ‘Die vrouw van mij, man,’ zei Richard tegen niemand in het bijzonder. ‘Ze moet elke dag haar wietje en haar biertje hebben. Dat mag ze dan mooi zelf regelen met haar vijftig euro per week. Ze zal het nog wel merken, man.’ Ineens stond de jongen met de puisten op en hij hakte een paar distels om. De jeugdige vader met de groene trainingsbroek, Hannes, begon hard te lachen. ‘Alles goed, Doppenberg?’ De tandeloze slungel staakte voor even zijn activiteiten. ‘Ik moet werken. Anders gaat de tijd niet voorbij.’ Hannes had kennelijk eerder met Doppenberg gewerkt. ‘Luister, man,’ zei hij. ‘Als jij je zeis over dat vijvertje daar kan gooien, echt naar de overkant, dan krijg je een meier van me.’ Doppenberg analyseerde de aanpalende vijver en de zeis. ‘Deal!’