Taakstraf (deel 2)

Doppenberg liep richting de vijver. Hij tilde de zeis op en woog het gereedschap. Aan de hand daarvan bepaalde hij de lengte van zijn aanloop. ‘Een meier, hè?’ vroeg hij voor de zekerheid aan Hannes. ‘Er zijn hier zes getuigen. Ik kan er niet meer onderuit.’ Doppenberg nam zijn aanloop, draaide driemaal om zijn as, werd kennelijk zo duizelig dat zijn slingerworp afweek naar links en aan die kant, met een plons, in het water belandde. Weer moest iedereen onbedaarlijk lachen. ‘Kanker, man!’ riep Doppenberg. ‘Willem gaat me neuken.’ Er zat voor hem niets anders op dan stilzitten bij ons. ‘Nu gaat de tijd heel langzaam,’ verzuchtte hij. De zon brak door. Iedereen lag intussen op zijn rug. Er was even stilte. Toen vroeg ik aan Richard: ‘Vertel eens wat meer over je vriendin, is het een leuke meid?’ Richard kwam overeind, duwde zijn zonnebril verder tegen zijn gezicht en stak van wal. ‘Wat een ongelooflijke hoer is zij, man. Zegt ze dat ik zaterdag nog wel op de verjaardag van haar moeder moet komen, voor een laatste keer. “Bekijk het maar”, zei ik, “ik ben gekke Henkie niet.”’

Na een uur kwam Willem een controle doen. Hij parkeerde de bus aan de zijkant van het bos, klom op het dak en begon koppen te tellen. Hij zag dat het aantal klopte en trok met gierende banden op, om elders zijn tijd door te brengen. ‘Die Willem is ook maar een hoerenkind,’ concludeerde Hannes. Het was een ijzersterke observatie. ‘Jongens,’ zei Peter opeens, de oude kamper die zeker een uur had geslapen. Hij hield zijn ogen dicht en bleef in het gras liggen. ‘Hebben jullie nog nagedacht over Pollie. Ze is echt een lieve meid, hoor. Nogmaals, niet het grootste licht van het kamp, maar toch wel een mooi ding.’ Laatst had ze die reclame van Ajax op televisie gezien, met die flacon. Hoe heet dat?’ Hij keek naar mij. ‘Afwasmiddel?’ suggereerde ik. ‘Juist, ja,’ zei Peter, ‘dat bedoelde ik. Op televisie zag ze dat een mokkel die flacon van Ajax midden in de vieze keuken op een tafel zet. Dan komt er opeens zo’n tornado uit en die maakt de hele keuken schoon. Onze Pollie vond het geweldig! Zij wilde dat ook.’ Peter kwam nu overeind.

‘Dus zij gaat naar de winkel, vraagt om een fles Ajax, zet dat ding bij ons op tafel en vertrekt naar de bingo. Na drie uur komt ze terug. Maar die keuken is natuurlijk even vies als toen ze die verliet. Meteen ging ze terug naar de winkel. “Mijnheer!” zei ze woedend. “Deze doet het niet, ik wil nú een ander!”’ Peter boog voorover, plaatst beide handen op zijn knieën en proestte het uit. De rest moest ook lachen, doch vooral om Peter. De Turkse jongen keek me aan en stelde een prangende vraag. ‘Jij bent ook Turks, of niet?’ Ik bevestigde zijn vermoedens. ‘Wat heb je gedaan?’ De anderen luisterden nu ook mee. ‘Ik heb een uitsmijter in elkaar geslagen, in het centrum van Zwolle. Ik moet nu tachtig uur werken.’ Richard mengde zich in het gesprek. ‘Dat heb je goed gedaan, man. Fantastisch. Vies volk, die portiers. Als mijn vriendin een kerel was, had ik haar al lang wat tikken uitgedeeld. Wat een hoer, man. Nee, ik ben er klaar mee. Als zij dadelijk weg is, rijd ik direct naar Spanje. Het is leuk geweest. Ze is niets voor me, man. Alleen ellende.’

Doppenberg bewoog richting de vijver en peilde met behulp van een tak de diepte van het water. ‘Zo hé, dat valt tegen. Als Willem me dadelijk laat duiken, ben ik mooi de Sjaak.’ Hij waagde een pas in de vijver en controleerde de ondergrond. ‘Dat zand is best hard, jongens. Misschien kan ik het proberen.’ Doppenberg deed twee stappen en ging toen kopje-onder. Met zijn hele lichaam lag hij onder water. Opeens werd zijn hoofd weer zichtbaar. ‘Kanker, man.’ Hij spuugde wat water uit. ‘Dit water is koud. En diep!’ Hij kwam er weer uit en moest ons lachsalvo ondergaan. ‘Doppenberg’, zei ik na een paar minuten. ‘Nu je toch nat bent, kun je net zo goed die zeis opduiken. Scheelt je weer kopzorgen.’ Hij keek peinzend naar het water, maar besloot het er niet op te wagen. De tijd verstreek moeizaam. Rond het middaguur haalde Willem ons op voor de lunch. We liepen naar hem toe, Doppenberg als laatste. ‘Wat heb jij gedaan?’ vroeg de werkmeester. ‘Ik gleed uit, man.’ Willem bestudeerde iedereen in de bus. ‘Jullie hebben die pipo toch niet in de vijver geduwd?’ Niemand zei wat. ‘Nou, de volgende keer mag je hem ook wel verdrinken. Heb je niets aan. Doppenberg, jij loopt maar. Ik hoef geen natte bekleding.’

Na de lunch, die ruim een uur duurde, keerden we terug in het bos en iedereen lag vrij snel na het vertrek van Willem op de grond. ‘Hé Hannes,’ schreeuwde Peter om ieders aandacht op zich te vestigen. ‘Zullen we een bouwbedrijf beginnen? Jij bent dan de aannemer en ik uitvoerder. Jij neemt niets van mij aan en ik voer niets uit.’ Hij moest als enige lachen om zijn grap. Ik hoorde iemand zuchten. ‘Jongens, het wordt me saai hier. Even wat vertier,’ prevelde Richard. Hij trok een platvink uit zijn binnenzak en dronk van het ding. ‘Heerlijk. Altijd wodka meenemen, vrienden. Dat ruik je bijna niet.’ Daarop bracht hij zijn handen naar zijn achterhoofd, herschikte de zonnebril, om vervolgens weer languit te liggen. Na de pauze ging de tijd sneller. We hoefden nog maar anderhalf uur uit te zitten. De felle zon had de kleding van Doppenberg opgedroogd. ‘Yes,’ schreeuwde hij, ‘nu mag ik weer met de bus mee.’ Om half drie stonden we allemaal aan de weg die langs het bos liep. We hadden de zeisen op één stapel gegooid, zodat de werkmeester niet door zou hebben dat er een ontbrak.

Het plan pakte goed uit voor Doppenberg. Nadat iedereen op het terrein van Natuurmonumenten het werktuig had teruggezet in de schuur waren we klaar om te vertrekken richting Zwolle. Ik zat tussen Hannes en Richard in. Peter zat weer naast Willem. ‘Ik ga er nu heen en vertel haar dat ze maar mooi oprot naar die ouders van haar. Ze mag lekker in zo’n kamertje wonen, met die schuldsanering van haar. Eens zien hoe dat bevalt. Ze gaat me missen, man. Maar dan ben ik al weg.’ Het leek erop dat Richard nogal in zijn maag zat met die vrouw van hem. Peter was weer begonnen aan een mop. Het ging over een pastoor en een hond die over water kon lopen. Ik had de energie niet meer om er naar te luisteren. Toen we in Zwolle aankwamen, haastte iedereen zich naar zijn auto. ‘Moet ik je afzetten?’ vroeg de Turk aan mij. Zo kwam het dat wij een paar minuten daarna samen in zijn BMW naar huis reden. ‘Wat heb jij eigenlijk gedaan?’ vroeg ik aan hem. ‘Ik ben drie keer opgepakt zonder rijbewijs.’ Met een gevaarlijk inhaalmanoeuvre passeerden we een Fiat Uno. ‘Maar dat rijbewijs heb je intussen wel?’ Hij keek me lachend aan. ‘Nee, helaas niet.’