Turkse voetbalcompetitie

Robin van Persie verkaste eerdere deze maand naar de Turkse topclub Fenerbahçe. Daar waren veel Turken blij om, de overgang werd als een landelijk feest gevierd, terwijl we in Nederland schamperden over de carrièremove van onze topscorer aller tijden.

Ik was in eerste instantie ook verbaasd, misschien nog wel meer dan toen Wesley Sneijder zich bij Galatasaray aansloot – de kleine Utrechter had al heel lang niet meer gespeeld en werd steeds gevoeliger voor zaken naast het voetbal. Het einde leek in zicht.

Goed, Robin van Persie kwam de laatste maanden bij Manchester United ook niet zoveel aan de bak, mede door blessures, maar in zijn geval geloofden we nog wel dat hij elders in Europa zou gaan schitteren, bij een bekendere club.

Het liep anders.

Hij koos voor de hectiek van de Turkse competitie én natuurlijk voor het geld, dat was een van de belangrijkste drijfveren. We kunnen daarmee gerust stellen dat hij niet meer op het hoogste niveau actief is, want een beetje superster speelt natuurlijk niet in Turkije, maar steelt de show in Engeland, Spanje, Duitsland of desnoods Frankrijk.

Maar toch: ik stoor me de afgelopen dagen aan veel Nederlandse media die nog steeds geloven dat de Turkse competitie geen reet voorstelt. Deze mensen baseren hun mening op de verhoudingen van twintig jaar geleden, toen Ajax als een soort voetbalmachine iedere club op de wereld wegspeelde en de Turkse competitie alleen het nieuws haalde als er weer eens een bende hooligans het veld was opgelopen.

De krachtsverschillen zijn veranderd. Sterker nog, de Turkse voetbalcompetitie is onderhand van een hoger niveau dan de Eredivisie. Als Ajax of Feyenoord dit jaar in de hoogste divisie van Turkije mochten meedoen, zouden ze heel misschien als subtopper eindigen, veel meer zit er niet in voor onze klassieke topploegen.

Vanaf het moment dat het grote geld een prominentere plek in de voetbalwereld kreeg, moest de Nederlandse competitie aan kwaliteit inboeten. Het is zo erg geworden dat we binnenkort nog minder teams naar de Europese competities mogen sturen. In Turkije vindt juist het tegenovergestelde plaats.

Steeds meer clubs krijgen een financiële injectie van een suikeroom. Daardoor trekt een toenemend aantal attractieve voetballers naar de Süper Lig. Voorheen was er een regel die het aantal buitenlanders in de competitie moest beperken, maar die is opgeheven, waardoor de koopdrift van ijdele bestuurders geen grenzen kent; ze doen alles om hun achterban te paaien.

Daar zitten natuurlijk ook haken en ogen aan, want er is helemaal geen ruimte meer voor de eigen jeugdspelers, maar dat terzijde.

In elk geval is de opmars van de Turkse competitie voorlopig niet te stuiten. In Rusland, Oekraïne en Portugal zijn ze ons inmiddels ook voorbijgestreefd. We kunnen dus wel met minachting over deze landen praten en schrijven, maar de realiteit is dat wij steeds verder afzakken en daar klaarblijkelijk niks aan kunnen doen.

Voor wie moeten we dit jaar naar de Eredivisie kijken? Er zijn zelfs haast geen jonge talenten meer. Het fabeltje van opleidingsland kunnen we ook overboord gooien. Ik schaf liever voor dit seizoen een decoder aan waarmee ik naar de Turkse competitie kan kijken.

Dáár spelen wel toppers.

(deze column verscheen eerder in Nieuwe Revu)