Van Den Haag naar Zwolle
De laatste trein vanuit Den Haag richting Zwolle kon vanwege defect materieel niet rijden. Dat was een fikse tegenvaller, zo laat op de woensdagavond, die bovendien erg koud was. Waterkoud, is een betere beschrijving! Eerder die avond had ik met een vrind een fles Jack Daniels geledigd. Glijdend en vloekend bereikte ik het station op mijn nieuwe lederen schoenen en dan krijg je ineens te maken met het wanpresteren van onze spoorwegen. Ik leid een moeizaam bestaan, dat is duidelijk. Ik vroeg aan een verkleumde conductrice hoe ik nu in vredesnaam in Zwolle moest geraken en of zij het ook zo erg vond voor Erben Wennemars. Ze dirigeerde me naar een trein die Gouda als eindbestemming had. Over Erben had ze geen mening. Mokkend en zuchtend plofte ik neer op een zetel in de Sprinter. De reis ving aan.
Achter mij zat een echtpaar op leeftijd. De vrouw had moeite om haar ogen open te houden. De man daarentegen keek met een angstige blik om zich heen. Rond deze onchristelijke tijd diende niemand in een trein te zitten, leek hij te denken. Hij hunkerde naar het einde van de kwelling. Toen ik hem ook nog aansprak, begon hij zich helemaal onwennig te bewegen. ‘Je zou denken dat ze het niet expres doen, daar bij de NS, maar de lankmoedigheid van een gedistingeerd mens als ik wordt wel danig op de proef gesteld.’ Hij knikte alleen en er viel een grijze lok van zijn kruin. ‘Waar moet u heen?’ vroeg ik. ‘Utrecht,’ prevelde de man. ‘Ik geef u meer kans van slagen dan ik. Ik moet naar Zwolle.’ Nu zou je verwachten dat dit gesprek nog een olijke wending kreeg, maar die kwam niet. Ik kreeg namelijk een bloedneus. En dat was best kut!
Nadat ik mezelf opgelapt had in het toilet van de trein en me weer richting mijn plek wilde bewegen, zag ik in de eersteklascoupé een machinist zitten. ‘Mijnheer, ga ik Zwolle nog bereiken vannacht?’ Hij trok meteen zijn zakcomputertje tevoorschijn en tikte behendig met een pennetje informatie in het apparaat. ‘Ja, dat gaat lukken. Overstappen in Gouda, Amersfoort en dan beland je in Zwolle, als het goed is.’ Ik dankte de man vriendelijk. ‘Ik had die trein naar Zwolle moeten rijden. Heb alles gedaan wat in mijn macht lag, maar het mocht niet baten. Wij medewerkers balen hier ook van. Je wilt dat mensen op tijd thuis zijn.’ Die hufter begon een heel verhaal af te steken over zijn beroep en de situaties waarin hij regelmatig verzeild raakt. ‘We worden tegenwoordig door iedereen met de nek aangekeken. Alsof we clochards zijn. Dit hebben we niet verdiend!’ In zijn ooghoek ontsnapte een traan en die biggelde langzaam naar beneden.
Die vent spoorde niet.
Gelukkig bereikte de trein alras Gouda, ik sprong uit de wagon en zocht waggelend naar de trein die Amersfoort zou aandoen. ‘Abi,’ zei een Marokkaan, ‘weet jij welke trein naar Utrecht gaat?’ Ik keek naar het aanpalende spoor en verhip, daar werd op het aankondigingsbord vermeld dat de trein naar Utrecht en Amersfoort over drie minuten zou vertrekken. ‘Kijk, daar… Sahbi.’ Ik wees op het bord. ‘Wejow, thanks!’ zei hij. Vervolgens vroeg hij me naar mijn afkomst. ‘Ik ben Chileen,’ zei ik. De hele reis naar Utrecht hebben we zitten bekvechten over mijn werkelijke afkomst. Ik was er zeker van dat ik uit Chili kwam, maar de Marokkaan op zijn beurt meende honderd procent zeker te weten dat ik een Turk was. ‘Aminakoyim!’ riep ik woest, ‘ik zeg toch dat ik geen Turk ben. Heb je de horzel in je kop, oglum?’ ‘Horzel?’ overpeinsde hij. ‘Mijn moeder maakte vroeger wel eens horzelsoep. Die was best lekker.’
De Marokkaan was uit mijn leven, gelukkig. Op het station van Amersfoort, zag ik tot mijn opluchting dat de stoptrein die naar Groningen moest rijden, met onderweg onder meer een stop in Zwolle, klaarstond om te vertrekken. Ik zou huis bereiken. In de trein kwam eerst een lekker wijf naar me toe dat vroeg of we écht in de trein naar Zwolle zaten. ‘Ja, wicht!’ antwoordde ik. Toen ging ik naast een jongen zitten die er erg hiphop uitzag. Dat had ik goed gezien, bleek wel. Hij liep namelijk stage bij een hiphoplabel. We praatten over de muziek, de mogelijkheden in Nederland en het medialandschap. De jongen was normaal. Dat vond ik al heel wat, zo rond 01.00 uur in de morgen. Mijn nieuwe vriend en ik namen afscheid van mekaar toen de trein Zwolle binnenkwam. Buiten lag een aantal centimeters sneeuw. Dat was in Den Haag niet het geval geweest. Charme van het oosten, makker. Ik deed alsof ik Erben Wennemars was, boog voorover, strengelde mijn handen in elkaar op mijn onderrug en schaatste op mijn nieuwe lederen schoenen over de Zwolse sneeuw naar huis.