Visite

Ze zag er weer uit om op te schieten, die ex van mij. Een okergele jurk tot op haar enkels, haveloze schoenen, alleszins gedateerde sieraden in die ezelsoren van haar, een of andere kei om een touwtje om haar nek, het vuurrode haar ongekamd, en als ik naar die klauw op haar linkerborst keek, de meest afzichtelijke tattoo die iemand ooit liet zetten, moest ik mijn best doen om niet over te geven. Nog voor ik een woord uitsprak, begon zij te huilen. Dat doet ze altijd als ze bij me op visite komt. Mijn ex is op zoek naar de zin van het leven, en onderwijl is zij vaker dan eens verdwaald, de ongelooflijke trut. Ze is desondanks een van de bijzonder weinige mensen die ik wil ontzien, hoe stompzinnig ze tegenwoordig haar bestaan ook inricht.

‘Ah, Özcan, ik denk dat het mijn aura is. Die is niet meer goed.’ Ik nam een slok van de whisky die zij voor me had ingeschonken en bestudeerde haar lichaam, dat – eerlijk is eerlijk – weinig aan schoonheid had ingeboet. ‘Aura? Waar is dat goed voor?’ vroeg ik. ‘Heb je het bonnetje nog? Gewoon terug naar de winkelier met de hele hap.’

Ze slaakte een zucht van irritatie, stelde ik me zo voor, en verzat op de hertlederen fauteuil, een meubel waar normaal gesproken nooit een andere gast op mag zitten. ‘Jij neemt me niet meer serieus. Vroeger was je een lieve, zorgzame man, die er altijd voor me was als ik met mezelf overhoop lag. Nu ben je een cynische en botte klootzak.’

‘Vroeger was jij een vrouw die ik niet iedere keer als ik haar zag door het raam wilde duwen, nu lopen zelfs de zwerfhonden een blokje om als zij de kans krijgen om op je te kakken. Misschien wordt het tijd om je wat minder zweverig te gedragen.’ Ze wilde opstaan en weglopen, maar bedacht zich halverwege de woonkamer. ‘Ik ben hier eigenlijk omdat ik je een vraag wil stellen,’ zei mijn ex. Ze keek naar mijn glas, concludeerde dat het nagenoeg leeg was en liep naar de drankkast om de fles te pakken.

Ze had een vraag, dus. Zo slaafs en bescheiden had ik haar in twee jaar verkering niet meegemaakt, het was me intussen duidelijk dat ze iets van me wilde hebben. Ik wist dat ik niet lang hoefde te wachten op haar verzoek, geduldig is ze nooit geweest.

Ik hief het nieuwe glas whisky en zei: ‘Dit drankje drink ik op jouw gezondheid.’ Ze werd blij en liftte haar kopje thee in de lucht. ‘Maar het volgende glas drink ik op een spoedige dood – van jou, welteverstaan. Want man, oh man, wat ben jij een achterlijk diertje geworden, zeg!’ vulde ik aan. Terwijl zij foeterend en stampvoetend door mijn huis liep, kroop ik achter de computer om een aantal mails te beantwoorden.

Tijdens die handeling bekroop me even het gevoel alsof oude tijden in ere waren hersteld. Mijn ex die voortdurend steen en been klaagt over mij, en ik die onverschillig mijn eigen plan trek. Het werd hoe dan ook tijd om haar uit het huis te werken. Ik was haar zat.

‘Luister, mooie damslaper, vertel nu maar wat je wilt, dan kan ik het beantwoorden met nee en je mijn huis uittrappen.’ Ze keek me nu met een pruillipje aan, wat overduidelijk een truc was, eentje die niet zou werken. ‘Wat is een damslaper?’ vroeg mijn ex. ‘Dat waren de hippies van vroeger. Die gingen dan op de Dam slapen, omdat ze al net zulke schooiers waren als jij nu bent.’

‘Mocht dat dan wel van de politie, op de Dam slapen?’ Toen ik die vraag hoorde, wendde ik me in gedachten tot God en vroeg hem waarom ik niet, net als miljarden gelukzakken, ongeboren had kunnen blijven. ‘Nee, de ME kwam regelmatig langs en knuppelde die losers van dat plein.’ Ze schoot strijdlustig overeind. ‘Wat zielig! Je bedoelt zoals die Japanners ook de zeehonden doodknuppelen?’

Nee, op enige barmhartigheid van die gozer in de hemel hoefde ik niet te rekenen, mijn trieste lot stond al lang en breed vast. ‘Luister, vertel me gewoon wat je wilt,’ beval ik haar. Ze verzamelde al haar moed, schraapte haar keel en stak van wal: ‘Mijn vriend is bij me weggegaan, ik heb geen plek om te slapen. Mag ik niet bij jou logeren?’

‘Je vriendje is bij je weggegaan? Hm. Dat is de eerste correcte beslissing waar ik die stomkop in anderhalf jaar tijd op betrap.’ Ze begon zachtjes te schreien, blies de inhoud van haar neus leeg in een tissue en kwam tegen me aankruipen op de bank. Ik sloeg een troostende arm om haar heen en sprak huichelachtige woordjes die haar moesten kalmeren.

‘Je zou ook bij je ouders kunnen slapen,’ suggereerde ik. Maar toen ze dat hoorde, barstte ze in tranen uit. ‘Wat is er?’ vroeg ik verbaasd. ‘Mijn ouders zijn laffe kapitalisten. Met hen wil ik niets te maken hebben!’ verklaarde ze. ‘Ik ben ook een kapitalist. Heb je mijn nieuwe televisie wel gezien?’ Zij herpakte zich en kwam overeind. ‘Je wilt me niet meer, hè?’ vroeg mijn ex slissend.

Ze trok de voordeur stevig achter zich dicht, ik hoorde dat ze me buiten op de trap voor van alles en nog wat uitmaakte, en begreep toen dat ze gelukkig weer uit mijn leven was. Ze was geen slechte meid, alleen worstelde zij een beetje met haar bestaan. Maar goed, doen we dat niet allemaal? Ik dacht aan haar aura en vroeg me af of die ooit nog zou herstellen. Ik hoopte van wel.