Vreemde snuiters

De zomervakantie komt er weer aan en dus gaan duizenden Nederlanders naar de Turkse kust, waar ze een paar dagen zorgeloos van een all-in vakantie kunnen genieten. Door de elite in ons land wordt op dit soort vakanties neergekeken. Veelgehoorde argumenten: de resorts zijn een verzamelplek voor tokkies die ordinair vreten, zuipen en voor overlast zorgen. Bovendien is er buiten het complex meestal weinig te doen, of je moet graag over een bazaar struinen, waarvan de uitbaters allerlei soorten namaakspul verkopen.

Aan het begin van de maand ben ik met mijn vriendin naar het zuiden van Turkije gevlogen, voor een kort verblijf in Antalya, een stad met zowel middelmatige als poepchique hotels. We verbleven in een goed aangeschreven tent, met het doel om te lezen, te slapen en te relaxen.

Terwijl ik op de eerste ochtend aan het zwembad zat, ving ik een gesprek op tussen een Nederlands stel. Beiden waren zwaarlijvig en de jongen had meerdere tatoeages.

‘Valt je ook op dat de Turken hier veel aardiger zijn dan hun soortgenoten bij ons?’

‘Ja, echt wel,’ antwoordde zijn vriendin. ‘Hier hebben ze helemaal geen grote mond.’

Het duo was verrast toen ik ze in hun eigen taal uitlegde dat die Turken in Nederland gelijkwaardige burgers zijn en dat het personeel in Antalya zich slaafs opstelt omdat het daarvoor betaald krijgt, in de hoop op waardering en fooi.

‘Fooi?’ vroeg de jongen. ‘Ik heb twee ruggen neergeteld. Dat is genoeg.’

Een paar uur later gingen we lunchen in de grote eetzaal, die voor de gelegenheid was omgetoverd tot een gastronomisch paradijs, inclusief een hele rits koks die niet in buffetvorm, maar op aanvraag verse maaltijden bereidden. Een man in een Feyenoordshirt liet drie volle borden voor zichzelf klaarmaken, bestelde twee glazen bier en ging in zijn eentje aan een zespersoonstafel zitten.

Hij schrokte een deel van de maaltijd naar binnen en liet halverwege een boer. Hij vond het genoeg geweest en stond op, het was tijd voor een toetje. De Turkse ober vroeg in het Engels of hij de borden niet ging leegeten, de Nederlander riep in zijn eigen taal: ‘Nee, ik heb er toch voor betaald. Dus ik laat het lekker staan. Bemoei je met je eigen zaken, koekwaus!’

Mijn vriendin en ik moesten erom gniffelen en liepen naar de lobby. Daar waren we getuigen van een klein familiedrama: een blond pubermeisje schold haar ouders uit omdat er geen goed wifi-bereik in het hotel was. ‘Godverdomme, klootzakken,’ riep ze met een Brabantse tongval. ‘Dit vind ik echt niet kunnen. Jullie hadden internet beloofd. Ik wil zo snel mogelijk weg.’

En zo waren er nog een paar zaken, waarvan ik dacht dat ze geen goede reclame voor ons land zouden zijn. Een man liet bijvoorbeeld zijn baby in het zwembad plassen; een ander stel bestelde ijs om elkaar daarmee vervolgens te bewerken; twee opgeschoten pubers gooiden een schoonmaakster in de zee – ‘lachuh!’ – en het dieptepunt was de jongen die bij het ontbijt drie halve liters bier achteroversloeg omdat hij zijn verkering wilde imponeren. In de middag hing hij kotsend over een bloembak.

Een all-in vakantie kan best ontspannen zijn, maar wellicht hadden we pech met ons hotel, dat ondanks de ratings op internet en de hoge boekingskosten een hoop vreemde snuiters aantrekt.

We waren blij toen we na zes dagen terug naar Nederland mochten. In de rij voor de douane stond een echtpaar. Toen zij aan de beurt waren, vroeg de douanier of ze geen vloeibare producten bij zich hadden, want zoals iedereen weet zijn die tegenwoordig verboden.

‘Harold,’ zei de vrouw. ‘Die gozer vraagt of we geen drinken bij ons hebben.’ Harold de held ritste zijn handbagage open en trok er negen flesjes water uit. Hij had ze uit een van de barretjes in het hotel meegenomen. Negen stuks! Ik richtte me tot de Turkse medewerkster van de luchthaven en verzekerde haar: ‘De Nederlanders in Nederland zijn veel normaler dan hun landgenoten hier.’

 

(deze column verscheen eerder in Nieuwe Revu)