Vuilnisbak

… drukte mijn moeder een brief in mijn hand. De bijbehorende envelop hield ze stevig vast. We stonden op de markt in Deventer, zo rond lunchtijd. Het plein raakte steeds voller. In het gekreukelde document, afkomstig van de gemeentelijke reinigingsdienst, stond dat zij een boete moest betalen, negentig euro, omdat een ambtenaar een overtreding had geconstateerd.

Ik bracht de boodschap over. Mijn moeder wist van niks.

‘Wat heb ik dan gedaan?’ vroeg ze. Ik las verder in de brief. Blijkbaar had ze haar vuilniszak niet in de bak gegooid, maar ernaast gezet. En aangezien we in de binnenstad van Deventer voor iedere zak 2.51 euro moeten betalen, kwam dit neer op belastingontduiking. Het apparaat gaat open via een elektronisch systeem, waarmee meteen het aantal zakken wordt geteld.

‘De machine was kapot,’ zei mijn moeder strijdbaar. ‘Ik kreeg hem niet open met mijn pas. Er lagen meer zakken op de stoep. Hoe weet die man zeker dat het mijn zak was?’

‘Geen idee.’

‘Jij doet toch iets met schrijven en zo? Je moet de gemeente een bezwaarschrift sturen. Zeg dat het op een misverstand berust, dat die ambtenaar de verkeerde persoon heeft aangeschreven.’

‘Je bent de enige Turk in de wijk,’ antwoordde ik. ‘Het lijkt me sterk dat hij jou met een ander verwart.’ Mijn moeder kneep nog een keer in de envelop. Het logo van de gemeente prijkte erop.

‘Ik wil toch dat je een brief stuurt. Dit is niet eerlijk. Het is hun schuld. Dan hadden ze die machine maar moeten repareren.’

Ik las weer verder in de mededeling van de gemeente, die twee kantjes telde. De ambtenaar had de vuilniszak geopend, papier gevonden waarop onze achternaam stond en wist daarom zeker dat mijn moeder de dader was.

‘Ja, ik ontken toch niet dat mijn zak óók daar stond. Maar dat ding was gewoon kapot. Aan wiens kant sta jij eigenlijk?’ vroeg ze. Voor iemand die onrecht was aangedaan, keek ze nog best monter. Misschien omdat ze wist dat ze gelijk had.

‘Moment,’ zei ik. Over de markt vlogen zwaluwen. Het geluid van het draaiorgel knalde over het plein. Hongerige kantoormedewerkers liepen naar de vishandelaar, loempiakraam of dönerboer.

‘Hier staat dat de apparaten het deden. Dat heeft die ambtenaar nog gecontroleerd.’

‘Dat is echt onzin,’ riep mijn moeder. Nu leek ze toch van haar stuk. ‘En trouwens, hoe weet die man zo zeker dat ik die zak daar heb gezet, en niet iemand anders, de buurvrouw bijvoorbeeld?’

Ik vouwde de brief op en gaf hem weer aan haar.

‘Omdat hij een foto van jou heeft gemaakt, dat staat in deze brief. En in de bijlage kunnen we die foto bekijken. Wat zit er nog meer in de envelop.’

Mijn moeder keek me met grote ogen aan. Ik griste de envelop uit haar hand. Er zat inderdaad een foto in. Mijn moeder stond erop, met de zak in haar hand.

‘Een foto? Shit.’

‘Had je hem echt nog niet gezien?’

‘Nee, echt niet. Het is toch raar dat ze foto’s van ons maken?’ vroeg ze.

‘Het zijn fascisten. Maar jij moet je gewoon aan de regels houden.’

‘De bak zat best vol,’ zei ze, ‘daarom dacht ik dat ze het niet erg zouden vinden als ik mijn zak ernaast zette.’

Ze wilde 2.51 euro uitsparen, dat leverde haar een boete van negentig euro op.

‘Heb je zin in een lekkerbek?’ vroeg ik. ‘Ik trakteer.’

‘Ik heb net gegeten. Maar als jij betaalt, vind ik het goed.’