Wie goed doet, slecht ontmoet

Deze week stond in dagblad de Stentor dat een vrouw uit Deventer een culinaire avond voor vluchtelingen gaat organiseren. Ze heeft zes goede restaurants bereid gevonden om aan dit initiatief medewerking te verlenen, puur omdat men de oorlogsmigranten een verzetje gunt, zodat die kunnen ontsnappen aan de realiteit van legerbedjes in een bedompte fabriekshal.

Er ontstond onder het bericht op de website van de krant veel tumult, dat zich laat kenmerken door afgunst en racisme, waarbij ook telkens werd verwezen naar onze eigen bejaarden, die volgens de meeste anonieme reaguurders momenteel in tehuizen aan het beschimmelen zijn, terwijl hun luiers bijna uit elkaar spatten, omdat niemand de poep en pies wil opruimen.

Als je de tientallen hatelijke berichten analyseert, kom je in een soort parallelle wereld terecht, waarin Nederlandse burgers oprecht geloven dat onze overheid iedere nieuwkomer ongelimiteerde creditcards, fonkelnieuwe fietsen en een villa naar keuze geeft. Er wordt een werkelijkheid verzonnen die het rechtvaardigt om vreemdelingenhaat te debiteren. Maar dat is geen nieuws meer: dat doen activisten tegenwoordig in elk debat, ongeacht het onderwerp.

Wat me veel meer fascineert, is dat zoveel lieden ongegeneerd hun rancune en mislukking botvieren op een filantropische vrouw die uit eigen beweging andere mensen helpt, met ondersteuning van een paar lokale ondernemers, die zich ook betrokken voelen.

Ik snap dat niet iedereen zich in de positie bevindt om dit soort projecten te organiseren en dat er nog meer mensen zijn die dat niet eens willen, simpelweg omdat ze niet op vluchtelingen staan te wachten, van wie nog bewezen moet worden dat ze ook daadwerkelijk uit een oorlogsgebied komen. Maar dat je daarom massaal afgeeft op een vrouw die zonder overheidssteun een goede daad wil verrichten, is niet alleen heel tragisch, maar ook dom.

Als het de chronisch verongelijkte burger daadwerkelijk om onze bejaarden is te doen, die volgens de verhalen in allerlei tehuizen aan het verpieteren zijn, dan zouden ze misschien hun plekkie voor de computer moeten verlaten en zelf een liefdadigheidsactie op poten moeten zetten. Naar het schijnt zijn wij Nederlanders extreem goed in het wegmoffelen van onze ouders. De bejaardentehuizen zitten vol met eenzame mensen die één keer per maand, of alleen tijdens feestdagen, plichtmatig door een familielid worden bezocht.

Dat staat in schril contrast met veel mediterrane landen, waar de kinderen hun groot(ouders) gewoon in hun woning opvangen, met het doel om hen tot de dood te verzorgen, als een soort terugbetaling voor alles wat zijzelf kregen. Maar niet in Nederland: wij stoppen opa en oma weg, ver buiten ons blikveld, zodat we ongestoord verder kunnen met ons eigen leven.

De toetsenbordstrijders die zich digitaal tegen asielzoekers verzetten, zouden dus een mooi initiatief kunnen beginnen, waarmee ze zoveel mogelijk bezorgde burgers mobiliseren die zich ontfermen over eenzame ouderen. Het lukt immers ook om tienduizenden mensen te enthousiasmeren voor een uitzwaaidag voor iemand die domme dingen zegt en doet.

Waarom niet een actie voor onze eigen bejaarden? Ik vrees dat zulks moeilijk is, want dan moeten ze écht in beweging komen, weg van die computer, en dat is natuurlijk ingewikkeld, omdat ‘de overheid uit misdadigers bestaat, de elite landverraders zijn en vluchtelingen alles komen afpakken’.

Kortom, er is altijd wel een reden om de eigen lamlendigheid te camoufleren, desnoods over de rug van een vrouw die wél iets onderneemt.

 

(deze column verscheen eerder in Nieuwe Revu)