Wijhe – Olst, dat is worst
Het is nu een week geleden dat Martin Bril overleden is. Hij was de enige schrijver die ik dagelijks las. Daar ben ik vier jaar geleden mee begonnen, toen ik zijn naam tegenkwam in een boek over literaire excentriekelingen uit Nederland. Zijn stijl laat zich kenmerken door eenvoud, maar zijn beschrijving van ogenschijnlijke futiliteiten zijn pregnanter dan velen denken, stond geschreven in dat boek. Dat ondervond ik. In vier jaar tijd heeft niemand mij zoveel geleerd over de Nederlandse taal en het schrijven van korte verhalen als Martin Bril.
Martin Bril was meer dan een inspiratie. Hij was mijn docent Nederlands, Geschiedenis, Aardrijkskunde en Biologie. Hij schreef over bruggen en windturbines, over verdwaalde buizerds en foeragerende ganzen, en met hetzelfde gemak maakte hij gewag van schoorstenen en elektriciteitsmasten die hij tegen was gekomen in een verlaten dorp. Martin Bril bezat de kracht om je te wijzen op alledaagse dingen die je anders nooit zou zien. Dat deed hij op een manier waardoor je ging houden van alles wat hij gadesloeg en optekende in zijn stukken.
Zo gaf hij mij bijvoorbeeld de uitdrukking ‘Wijhe – Olst, dat is worst.’ Toentertijd reisde ik dagelijks tussen Deventer en Zwolle, dus ook tussen Wijhe en Olst. Slechts één zin in zijn column zette mij ertoe om de hele geschiedenis van deze plaatsen te onderzoeken. Dat is wat de teksten van Martin Bril met mij deden. Ze brachten mij in beweging, lieten mij nog meer van dit land houden en onthulden stapels geheimen. Hij kon evenzoveel liefde tentoonspreiden voor een vreemde stad, als iemand die er geboren en getogen was. Hij hield van Nederland. Als lezer wist je dat hij atijd oprecht was.
Ik las afgelopen dagen een stuk tekst van een kenner die van mening was dat de laatste columns van Martin Bril sterker dan ooit waren. Daar ben ik het niet mee eens. De luchtigheid waarmee hij zijn ziekte beschreef was doorspekt met de onmacht van iemand wiens lot niet meer in zijn eigen handen ligt. Hij hield van het leven, van muziek en natuurlijk van zijn dochters. Hij had nog zoveel boeken willen schrijven, zoveel dorpen willen bezoeken, maar zijn fysieke gesteldheid liet het niet meer toe. Ik vond het schrijnend om zijn laatste columns te lezen. Zijn ziekte kluisterde hem vast aan zijn bed, daar zat hij opgescheept met de angst voor het onbekende.
Door veel te lezen kan men taalgevoel ontwikkelen. Dat deed ik. Ik las ook Martin Bril. Heel veel zelfs. Ik werkte in twee weken tijd het hele archief van zijn website af. Ik las zijn ‘berichten’, gedichten en interviews. Hij wist me altijd weer te boeien. Zijn korte zinnen waren anders dan ik gewend was van literaire zwaargewichten uit de twintigste eeuw – schrijvers die ik normaal lees. Voor je gevoel deed hij maar wat, maar wanneer ik Martin Bril probeerde te imiteren kwam ik er bedrogen uit. Zijn stilistiek is te complex voor mij. Dat is niet erg. Want niemand kan hem imiteren. Dat is vaak gebleken.
Ik ga Martin Bril missen. Ik heb hem helaas nooit ontmoet. Iedere keer als ik een interview met hem had voorbereid kwam er iets tussen. Nu is de dood ertussen gekomen, een eeuwig obstakel. Zijn overlijden laat ook een leemte in mijn leven achter. Het vaste ritueel van ’s ochtends opstaan en eerst de column van Martin Bril lezen, kan niet meer. Dat genot is voorbij. Door kanker ontnomen. Maar het gaat natuurlijk niet om mij. Het gaat om de schone kunst van de taal en zij die haar beoefenen. Dit verlies heeft meer impact op Nederland dan welke financiële crisis ook. Nu kan ik alleen maar erkentelijk zijn voor het feit dat ik zijn teksten ooit heb mogen ontmoeten. Martin Bril is dan wel dood, maar zijn invloed op mij zal nooit sterven.