Ziek volk

Het volk is dom. Dat bleek gisteren wel, tijdens mijn bezoek aan de Media Markt in Zwolle, waar de tweede dag van de zogeheten ‘btw weg ermee dagen’ plaatshad. Zelden zoveel mensen tegelijkertijd zo gewillig bedonderd zien worden als afgelopen zaterdag. Die lui van de Media Markt zijn ook niet helemaal dom. Die krikken twee weken van tevoren al die prijzen op, om vervolgens het massaal uitgerukte crapuul wijs te maken dat het negentien procent korting krijgt. Het werd op een gegeven moment zo druk in de winkel, dat de elektronicagigant besloot de aasgieren alleen in rantsoenen toegang te geven tot het koopparadijs. Alle kassa’s draaiden op volle oorlogssterkte, doch er was geen kruid gewassen tegen de profiteerwoede van het plebs. Men was ontembaar.

Op een veilige afstand van de kassa’s, zo’n zestig meter, bestudeerde ik hangend tegen een wankel schap, bevoorraad met speakers, de enorme rijen die ontstaan waren. ‘Druk, hè?’ zei een wat oudere vrouw olijk tegen mij. Ik zag in haar handen meerdere kleine dozen. Haar man volgde haar serviel op een meter afstand, hij had de taak gekregen om een magnetron mee te zeulen. ‘Ja, mevrouw. Je zou denken dat het tactisch slimmer is om rond etenstijd te komen, of vanavond laat. Maar de mensen zijn bang dat hun favoriete product uitverkocht zal raken.’ De vrouw keek me niet aan, maar woog af welke rij het snelst doorliep. Ze zag iets wat haar aanstond en verdween. Haar man kwam naast me staan en gaf me een knipoog. ‘Crisis? Wat nou crisis?’ vroeg hij retorisch, ‘die mensen zijn allemaal het spoor bijster. Het is toch niet normaal?’ Normaal was het zeker niet. Maar vreemd genoeg nam ook hij, ondanks zijn rake observatie, deel aan de massahysterie. Ik zag het echtpaar opgeslokt worden in een sliert voor de derde kassa.

Ik wankelde naar de afdeling waar de televisies aan de man werden gebracht en sloeg een kale man gade die ruzie stond te maken met een medewerkster van de winkel. ‘Wat nou geen korting!’ brulde hij. ‘Je geeft toch ook korting op de televisies, waarom dan niet op deze afstandbediening.’ Het meisje bleef stoïcijns. ‘Mijnheer, in onze voorwaarden is duidelijk aangegeven dat de actie niet geldt voor de accessoires op deze afdeling, alleen voor de televisies.’ De man ontstak in toorn. ‘Maar hoe moet ik godverdomme mijn teevee bedienen dan!’ Een gealarmeerde beveiligsmedewerker kwam het tafereel op een afstandje bestuderen. ‘Deze is gewoon voor de eigenlijke prijs.’ Ze wees op de doos. ‘Sorry, mijnheer.’ De man greep het meisje bij haar strot en sloeg dreigende taal uit. Vrij rap daarna werd hij in een houdgreep genomen door de beveiliger, die hem afvoerde langs de winkelende mensen, waarbij een enkele bezoeker zijn evenwicht verloor en op de grond viel.

Op de benedenverdieping van de Media Markt gaf een vertegenwoordigster van Nespresso demo’s aan het publiek. Ik liep op haar af en sloeg een praatje met de oudere vrouw. ‘Nou, nou, jij bent er maar druk mee, nietwaar?’ Ik zag een aantal zweetdruppels op haar voorhoofd. ‘Ah hou op’, zei ze, ‘iedereen is debiel, lijkt het. Dat tuig heeft al mijn koffie opgedronken, maar ik heb nog geen apparaat verkocht.’ Ik moest lachen. ‘Geen korting zeker?’ Op dat moment kwam een andere vrouw bij ons staan, een kortgeknipte hoer die bijzonder lang was. ‘Mevrouw, een bekertje koffie!’ De vertegenwoordigster vertelde dat de koffie op was. ‘Op? Hoe bedoel je “op”. Je bent hier toch voor de koffie of niet, mens! Ik wil koffie.’ ‘Mevrouw,’ zei de dame van Nespresso, ‘ik ben hier om demo’s te geven aan potentiële klanten, opdat zij de verrukkelijke smaak van onze koffie proeven en vervolgens iets kopen. Dit is niet de koffiehoek. Die lange temeier snapte er niets van. ‘Ken je plek, truttebol. De klant is koning.’

Ik had het voor mijn gevoel wel gezien, daar in Zwolle, en wilde uit de winkel lopen. Er was alleen één probleem: er was geen vrije doortocht naar de uitgang. Een medewerker in een rood overhemd ried mij aan om te laveren door de minst lange rij. Dat deed ik. Een mijnheer met een gele snor weigerde mij halverwege hem te passeren. ‘Chef, ik wil niets kopen, hoor. Moet alleen naar buiten.’ ‘Niets mee te maken’, zei hij. ‘Wij wachten netjes op onze beurt, dan moet jij dat ook.’ Daarop pakte ik hem bij zijn schouders en drukte hem agressief opzij. Iets verder in de rij zag ik een meisje van amper drie jaar oud slapen op de grond. Ik keek haar moeder vragend aan. ‘Ze heeft vannacht slecht geslapen, volgens mij is ze ziek’, verontschuldigde zij zich. ‘En ik ben bovendien de sterkste niet meer, ze werd te zwaar.’ Het slapende meisje had een duimpje in haar mond. Ik stapte omzichtig over haar heen, wrong me langs de overgebleven mensen in de rij en keek bij de deur van de winkel nog eens over mijn schouder. Het volk was terminaal ziek.