Zinloos wakker worden

Voor ik opstond uit mijn bed, veegde ik de slaap uit mijn ogen en zocht naar het flesje spa dat een vaste post heeft op mijn nachtkast. Nadorst, u bent bekend met het fenomeen. Eenmaal naast het bed rook ik een vreemd, zuur luchtje. Buiten was het aardedonker. De nacht had dienst. Bovendien viel er een sneeuwbui. Een neerwaartse blik confronteerde me met veel ellende. Er waren lichaamssappen aan het laken gekoekt, wijnvlekken sierden het hoofdkussen en daarbij lag er één of andere halfdebiele hoer te ronken op mijn matras. Ik wist niet waar ik haar had opgeduikeld, laat staan hoe die pseudovamp heette. Ik trok het deken een stukje omlaag en keurde haar borsten. Die waren best lekker.

Ik verliet de slaapruimte en begaf mij naar mijn lederen fauteuil. Aan de andere kant van de kamer lag een stapel boeken, die daar beland was na het instorten van mijn boekenkast. Dat was een dolkstoot in mijn rug van het vileine lot dat me reeds een kwart eeuw overijverig achtervolgt. Vooral omdat ik mijn boeken alfabetisch rangschik. Toch werd ik door de ineenstorting van mijn collectie geconfronteerd met iets wat buiten mijn wil om was gebeurd. Er had kennelijk een boek van een vrouw in mijn kast gestaan. Nilgün Yerli. Zij is die verlepte, totaal oninteressante, talentloze schreeuwbek die in twee weken tijd twee keer bij Pauw en Witteman op bezoek was, en evenzoveel keer haarzelf volstrekt belachelijk maakte door een ontluisterend domme actie, iets met betrekking tot een vrachtwagen vol bloemen en brieven van schreeuwallochtonen, met de bedoeling om Geert Wilders te bereiken. Wat een harteloze grap van die knakker die het boek in mijn kast heeft gedrukt.

Waar was ik? Oh ja, ik zat dus in mijn fauteuil en staarde naar de boeken, met intussen in mijn hand een glas Whisky, een bodempje van eerder, dat daar een aantal uren was blijven staan. Ik vatte het plan op om dat boek ritueel te verbranden. Het duurde niet lang of ik stond op mijn blote voeten buiten in de sneeuw met een fles terpentine en een aansteker. Door de rillingen in mijn hele lijf wilde mijn literaire zuiveringsactie niet vlotten. Het boek was verminkt, dat wel, maar vloog niet op in duizenden vlokjes as, wat aanvankelijk wel mijn bedoeling was. Terug in mijn kamer hoorde ik het meisje slaperig roepen om ‘Alejandro.’ Ik keek haar even in haar halfgesloten ogen aan. ‘Ja?’ antwoordde ik. ‘Heb je misschien wat water voor mij?’ Nu, dat mokkel kent me alleen van een gefingeerde naam en gaat ook nog eisen stellen. Mocht ik mijn tampeloeres ooit bij haar naar binnen hebben geslingerd, ik zou instemmen met een lijfstraf. Jongens. Alcohol maakt een mens minder kritisch, maar in mijn geval ook blind, blijkbaar.

Zij kreeg een glas water, niet op lekker ijskoude temperatuur, maar ze slurpte aan het ding als een vrouw in doodsnood. Wat een hoer. Ik haatte haar. Ze was een mulattin. Dat is verder niet relevant of zo doch ik meld het maar even. Het meisje reikte mij het glas aan, gaf me een knipoog en dook weer het bed in. Zij was niet voornemens om mijn huis op korte termijn te verlaten. Ik sliep nog wat door in mijn fauteuil. Toen ik wakker werd was het iets na negenen. Daar mijn maag begon te knorren, ik dringende behoefte had aan wat kauwgom en bovendien de kamer wilde luchten, verliet ik het huis, nadat ik de balkondeur wagenwijd had open laten staan. Even naar de buurtsuper. Even de vuren in mijn hoofd doven. Mijn leven, jongens, het is niet altijd even eenvoudig, ik zou er een weblog over kunnen bijhouden. In sukkeldraf zette ik de route in naar de supermarkt. Daar aangekomen, trof ik voor de deur een verkleumde verkoper van de straatkrant. ‘Mijnheer, kan ik u blij maken met een krantje?’ vroeg hij.

‘Dat weet ik zo nog niet! Met een nekschot zou ik ook genoegen nemen,’ was het antwoord dat hij kreeg voordat ik een krant uit zijn hand griste. Ik bestudeerde een minuut lang het letterkundige vod. ‘Dit is ernstig, makker.’ Hij keek me met een glimlach op zijn gezicht aan. ‘De stilistiek in dit krantje deugt niet. Ik ben reeds twee contaminaties tegengekomen, bovendien zijn de auteurs wel erg geënt op één issue. Het is eigenlijk een kutkrant.’ Toch kreeg hij vijf euro van mij. Dat was omwille van mijn karma. Thuis trof ik een hysterisch wijf aan. ‘Je bent ziek in je hoofd!’ schreeuwde de teef . Ze sneed een gevoelig onderwerp aan. ‘Je doet toch geen deur open met dit weer! Ik crepeerde zo wat van de kou.’ Daarna dook ze snel de badkamer in, nam een douche en verliet gezwind het huis. Dat was dat, dacht ik. Ik belde direct mijn moeder op en vroeg om een nieuw bedlaken. Dat van mij was onherstelbaar beschadigd.