Ich bin ein Hollander

Mijn broer woont nu acht jaar in de Verenigde Staten. Het nieuws in Nederland volgt hij via websites en social media. Hij vroeg mij vorige week wat er bij ons aan de hand is, waarom de mensen zo boos zijn en of ik geen last van de oprukkende racisten heb. Ik vertelde hem dat het allemaal wel meevalt. Want als ik eerlijk ben, bereikt xenofobie mij alleen langs de digitale weg, via dat kanaal spuiten de internethooligans de diarree uit hun onderbuik over iedereen met een kleurtje. In het echt zijn ze niet zo heroïsch.

Ik liep kort na het gesprek met mijn broer door Deventer en ving op straat een gesprek op tussen twee mannen. Een jongen vroeg: ‘Die winkel is toch van een Turk?’ Waarop zijn gesprekspartner antwoordde: ‘Nee, gewoon van een Deventenaar.’

Die laatste woorden zetten mij aan het denken.

De Nederlandse samenleving wil al een paar decennia dat gastarbeiders en zeker hun kinderen integreren, het liefst assimileren, maar tegelijkertijd bestaat er onder het volk een wijdverspreide consensus dat mensen die een kleur hebben nooit eersterangs burgers zullen zijn. Vanwege hun afkomst worden zij als buitenstaanders gezien, nieuwkomers die van buitenaf zijn gehaald en er derhalve niet helemaal bij horen.

Er zijn mensen die zich zullen afvragen waar ik me nu eigenlijk druk om maak. De titel ‘Turk’ is volgens hen helemaal niet discriminatoir. Daar valt wat voor te zeggen.

Maar het gaat me ergens anders om. Ik schreef op Twitter dat ik bovenstaand gesprekje nogal eigenaardig vond en meteen reageerde Marcel Blind gepikeerd, een wethouder in de gemeente Olst-Wijhe. Hij snapte er niets van en vond dat je zulke dingen gewoon over anderen moet kunnen zeggen. Deze man heeft jeugdzorg in zijn portefeuille.

Ik wens de kinderen in die regio met een kleurtje veel sterkte.

Deze geïnstitutionaliseerde onnozelheid van de onbeduidende wethouder in een minuscuul gehucht is ogenschijnlijk onschuldig – niemand met verstand die hem serieus neemt – maar tegelijkertijd bestaat er ook een groep burgers die hem blind vertrouwt.

Door de breed gedragen opvatting dat iemand met ouders uit een buitenland nooit een echte Amsterdammer, Rotterdammer of Deventenaar kan worden, ontstaat sociale onrust en zullen sommige jongeren terecht opmerken dat ze niet in de samenleving gaan meedoen, omdat ze toch niet serieus worden genomen en slachtoffer van uitsluiting zijn.

Ik ben niet iemand die graag de racismekaart trekt, er zal altijd tegenwerking in het leven bestaan, of die nu uit discriminatie bestaat, of door andere omstandigheden, dat maakt niet uit: door de wijze waarop iemand hiermee omgaat, kan hij zich onderscheiden.

Dat betekent niet dat we alles maar oogluikend moeten toestaan.

Ik heb inderdaad een vader en moeder die uit Turkije komen, maar ik ben gewoon hier in Nederland geboren, tussen andere kinderen met ouders uit verre oorden. Zij hebben evenmin inspraak gehad in de plek waar hun wieg zou moeten staan. Wij zijn hier getogen, spreken deze taal en ons is verteld dat we ons leven hier moeten opbouwen.

Ik ben een Nederlander en ik ben een Deventenaar. Wat ik niet ben, is een Turk – dat zijn de meeste mensen in Turkije. Ik kan niet oprotten naar mijn eigen land als het me hier niet bevalt, want er is maar één land waar ik hoor én waar ik wil zijn, en dat is hier in Nederland.

Ik ben door het lot, buiten mijn wil om, in Nederland geboren en daarmee voel ik mij gezegend, sterker nog: ik zou nergens anders geboren willen zijn. Ik spreek beter Nederlands dan al die online racisten die me ten onrechte voor kankermoslim en kutturk uitmaken.

De rest van mijn leven kan ik niets anders doen dan bewijzen dat ik minstens zo Nederlands ben als de mensen die mij liever als buitenlander of allochtoon labelen.

Er rest mij geen andere keuze. Want als ik straks kinderen krijg en ze hebben onverhoopt een kleurtje, dan wil ik dat zij in een land leven waar ze als volwaardige burger worden beschouwd en niet als de Turk die boeken schrijft, de Turk die onderneemt, of de Turk die in de politiek zit. Ik wil dat zij als Nederlanders worden gezien. Want ik ben ook een Nederlander.

(deze column verscheen eerder in Nieuwe Revu)