Nazi’s

… werd ik op het station van Hilversum door een Turks meisje aangesproken. Het kwam me totaal niet uit, want mijn trein kwam net op het spoor tot stilstand en zou over drie minuten weer naar het oosten vertrekken. Ik bleef beleefd en luisterde hoe zij drie keer mijn naam herhaalde, zonder daadwerkelijk tot zaken te komen. Twee deuren klapten open en een conducteur stapte uit de intercity. Hij keek naar links, toen naar rechts, trok een pakje Van Nelle uit zijn jaszak en draaide een sjekkie.

‘Jij bent toch een schrijver?’ vroeg het meisje. Tegenwoordig antwoord ik niet direct bevestigend op die vraag, want de kans is groot dat iemand me uitnodigt voor de opening van een nieuw pompstation of een bijeenkomst voor kansarme jongeren. Niet dat ik blasé ben, integendeel: ik vind het telkens weer een eer als ze mij weten te vinden, maar ik heb simpelweg weinig tijd. Het weigeren van een verzoek is niet mijn sterkste kant.

‘Ik ben een schrijver, inderdaad. Ben jij het meisje dat mij op het station van Hilversum aanspreekt?’ Ze keek me glazig aan. Volgens mij had ze een sprint moeten trekken voor ze mij bereikte, want ze hijgde een beetje en haar krulhaar stak alle kanten uit. Ze droeg een lange donkergroene regenjas.

‘Ik wil iets tegen jou zeggen.’

Ik keek over haar schouder naar de ronde stationsklok en staarde daarna in haar grote ogen.

‘Dan heb je nog twee minuten.’

‘De Nederlandse overheid werkt voor de nazi’s. Ze zijn alle Turken aan het vergiftigen en ik ben een van de eerste slachtoffers.’

De werkelijkheid overtreft de fantasie, is een gevleugelde uitspraak binnen literaire kringen, en ziehier: het bewijs werd geleverd.

‘Wat bedoel je daarmee?’

‘Ik ben al twee jaar ziek en bezocht vijf artsen, maar niemand wil me genezen, laat staan dat ze zeggen wat ik heb. Het is een groot complot. Omdat er te veel allochtonen zijn, gaan ze ons nu systematisch vermoorden.’

De conducteur nam nog een hijs van zijn sjekkie.

‘Dat is een boude stelling,’ zei ik met een lach. ‘Waarom denk je dat?’

Het meisje ontknoopte haar regenjas en toonde mij haar opgezwollen buik.

‘Je denkt misschien dat ik zwanger ben, maar dat is niet waar. Er zit iets in mijn lichaam, een gif of zo, dat weet ik niet precies, maar er is niemand die mij kan zeggen wat het wél is.’ Ik keek naar haar buik. Hij was groot en rond en klopte in verhouding niet met de rest van haar lijf. Over een minuut zou mijn trein vertrekken.

‘Waarom ga je dan niet naar een dokter in Turkije?’ vroeg ik.

‘Daar heb ik geen geld voor,’ antwoordde ze. ‘Ik kan geen baan vinden, dat is ook de schuld van de Nederlandse overheid. Ze willen ons gewoon uitroeien.’

De conducteur doofde zijn peuk, keek op zijn horloge en liep richting een treindeur.

‘Ik vind het erg vervelend voor je. Maar ik kan niks doen.’

‘Jawel!’ riep ze. ‘Vertel er over op televisie. Of schrijf een stukje over dit onderwerp. Dit gaat niet alleen om mij, maar ook om jouw familie en vrienden. De nazi’s zijn nooit weggeweest.’

Ik beloofde dat ik het zou overwegen. De conducteur vergrendelde een deur en blies alvast op zijn fluit. Ik stapte in en zwaaide naar het meisje, dat met ongecontroleerde bewegingen haar dikke buik weer onder de regenjas verborg.

‘Wel doen, hè,’ schreeuwde ze.

Ik kon het verzoek niet weigeren.