Drie jaar geleden zaten Anna, de kinderen en ik tijdens onze zomervakantie eindelijk langere tijd bij elkaar in het restaurant van een immens resort. Wat ons opviel, was dat aan de overige tafels alle kinderen als gedrogeerd naar een tablet of smartphone zaten te kijken.
De andere gasten maakten nauwelijks oogcontact, laat staan dat ze gesprekken met elkaar voerden. Dit moment, dat we niet zagen aankomen, deed meteen alle alarmbellen bij ons rinkelen, want als dit ons voorland was, vonden we dat zéér deprimerend.
We besloten daadkrachtig en overhaast dat onze dochter Mia (10) en zoon Baran (8) in elk geval tot hun zestiende geen smartphone zouden krijgen. Dan zouden we nog eens gaan evalueren. Waarom zouden we die machines aanschaffen? Kunnen zij als tieners de verantwoordelijkheid dragen? En wat gebeurt er op die apparaten?
Anna nam voorzichtig contact op met andere ouders van onze basisschool die hun kinderen eveneens niet wilden blootstellen aan smartphones. We hadden ons ingelezen en één ding werd duidelijk: je wilt niet dat jouw kind, omdat hij geen telefoon bezit, de zonderling in de klas wordt.
Wonderlijk genoeg pakte de zoektocht naar een alliantie in de klas heel goed uit. Veel meer ouders worstelden met dit probleem en waren inmiddels op de hoogte van alle negatieve facetten van sociale media, zoals verslaving, pestgedrag, verminderde concentratie, slapeloosheid en mentale problemen onder jongeren.
Daar zit ook een bijzondere paradox in: meer dan ooit willen wij, ouders met jonge kinderen, ons nageslacht beschermen tegen alle ellende in de wereld – de laatdunkende kwalificatie rubberenstoeptegelmentaliteit is niet uit de lucht gegrepen.
Mijn zoon hoeft maar uit zichzelf een snoepwikkeltje in de prullenbak te gooien en ik begin aan een eindeloze serenade over hoe trots ik op hem ben. Mijn moeder gromde naar mij als ik troep liet rondslingeren. Maar als het om telefoons en sociale media gaat, laten veel mensen de teugels vieren. Omdat ze denken dat ze geen keuze hebben. Maar die keuze is er wél.
In het klaslokaaltje dat door de school beschikbaar was gesteld voor deze smartphonevergadering, merkten we algauw dat er grote verschillen bestonden in opvattingen.
Eén groep wilde de toestellen echt niet. Een ander deel vond het verbod onzin. En dan waren er ook nog vaders en moeders die niet wisten hoe ze met de teleurstelling van hun kinderen moesten omgaan, vooral omdat een oudere zus of broer totaal verslaafd was geraakt aan het leven met een smartphone: dat voelde oneerlijk naar het jongere kind – om het de toegang tot die ‘beloofde wereld’ te ontzeggen.
Een andere belangrijke les: we moesten andere ouders niet veroordelen omdat zij hun kinderen wél smartphones gaven. Elk gezin heeft een andere geschiedenis. Daarom was de boodschap tijdens deze sessie vooral: je mag meedoen met de alliantie, maar dat hoeft natuurlijk niet; iedereen is vrij. En de deur staat altijd open voor het geval er alsnog stress en twijfels ontstaan.
De volgende dag was er een akkoord tussen ouders van twaalf kinderen die inderdaad geen smartphones voor hun kinderen wilden kopen. In wezen ontstonden daardoor twee groepen: geen enkel individueel kind hoefde zich buitengesloten te voelen, want er waren altijd anderen van wie je wist dat ze ook geen telefoon hadden en niet op sociale media zaten.
Daarmee waren we er natuurlijk nog niet. Want ondanks het feit dat onze kinderen weten waarom ze geen telefoon mogen, blijven ze er natuurlijk wel om zeuren – heel gezond voor jonge kinderen.
Wat dat betreft worden wij enorm geholpen door maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, zoals het verbod op toestellen in het primair en voortgezet onderwijs en de eindeloze stroom aan negatieve berichtgeving over jongeren die online de achterlijkste streken uithalen. En: sinds kort is er de wens van het Europees Parlement om sociale media ontoegankelijk te maken voor kinderen tot en met 13 jaar. Wat mij betreft mag die leeftijd omhoog; ik zou eerder 16 jaar zeggen, naar Australisch voorbeeld.
Ik weet heus wel dat dit allemaal nog onvoldoende is, want de techgiganten in Silicon Valley zullen er alles aan doen om de regels te omzeilen, net als trouwens de hardnekkigst verslaafde kinderen. En dus is dat een goede reden om nog eens kritisch te kijken naar mijn eigen verantwoordelijkheid als vader.
Ik ben doorgaans enorm meegaand, wil niet dat ze op welk front dan ook tekorten ervaren en hoop dat ze later veel vrienden en vriendinnen zullen hebben, allemaal met een mooi wereldbeeld en de ambitie om iets van het leven te maken.
Wat moet dan mijn houding zijn? Hier zit ook weer een intrigerende paradox: wanneer ik als vader wil excelleren, moet ik op cruciale momenten de boeman zijn. Als mijn kind om een zak snoep van Jamin vraagt, een nieuw voetbalshirt wil hebben of om een doosje Lego krijst, kan ik niet elke keer inbinden en uiteindelijk, nadat ik helemaal murw ben gezeurd, alsnog overstag gaan om hem of haar eindeloze shotjes dopamine te gunnen.
Het kind dat op jonge leeftijd gewend is om alles te krijgen, zal niet snappen waarom er opeens een metersdikke muur wordt opgetrokken als het om sociale media gaat, een fenomeen dat iedereen met zijn ontelbare tentakels te pakken heeft, inclusief leraren, ouders en superhelden uit de sport-, muziek- en filmwereld.
We willen ze dan ook niet helemaal wereldvreemd lanceren in de grotemensenwereld. Ze hebben een uur beperkte schermtijd per dag – binnen de inhoudelijke kaders die wij hebben bedacht. Dus geen shorts en ook geen video van stomme vlogfamilies die doen alsof het om bezit draait.
Soms merk ik dat Mia en Baran naar in mijn ogen domme filmpjes kijken op YouTube, gemaakt door ‘influencers’ of ‘contentcreators’ die niet per se uitblinken in goede smaak of noemenswaardige talenten.
Op het moment dat ik ze passief naar zulke niemendalletjes zie staren, werp ik al jaren herhaaldelijk dezelfde vraag op: ‘Willen jullie makers zijn, of zijn jullie liever luie donders die op de bank kijken naar hoe anderen allerlei avonturen beleven en filmpjes schieten?’
Ik geef het meteen toe: dit is een subtiele vorm van indoctrinatie, maar die werkt wel. De kinderen schrijven boeken, maken strips, componeren liedjes en bedenken hun eigen spellen en sporten, opgejut door mijn woorden dat ze geen volgers moeten zijn, maar initiatiefnemers. Dat vind ik ook bij mijn rol als opvoeder horen. Ik moet de wereld groter maken, niet kleiner.
Wat ik heb geleerd, is dat wij – ondanks onze weeïgheid als vader en moeder – toch echt keiharde grenzen moeten stellen, een houding die zij ervaren als ‘gemeen’ en ‘stom’, maar die uit niets anders voortkomt dan liefde. Er zal een moment zijn, daar geloof ik heilig in, dat de kinderen ons zullen bedanken voor onze vastberadenheid en onwrikbare standpunten. Je moet als vader en moeder nu alleen wel even durven te incasseren.
Daarom maak ik me helemaal geen zorgen over de middelbare school, een fase in hun leven waarin wij als ouders nóg minder controle hebben over wat ze zien, wie ze ontmoeten en waar ze rondhangen. Hun ‘socialemediadieet’ in deze vroege jaren is juist bedoeld om ze later een duidelijk moreel kompas mee te geven. Ik hoop dat ze zich bij alles afvragen: ‘Waar slaat dit eigenlijk op?’, bijvoorbeeld als iemand in het kader van een TikTokchallenge – echt gebeurd – op zijn fatbike tegen het verkeer in rijdt.
We oefenen nu als gezin ook met het gegeven ‘nee is nee’ en we wijken daar niet van af. Die teleurstelling zal in de toekomst dus niet nieuw zijn. Het is een spier die we trainen, zowel bij onszelf als bij de kinderen.
Veel ouders vragen me bezorgd: „Wat ga je doen als je ze niet kunt bereiken?” Ten eerste kan ik altijd de school bellen bij noodgevallen. Daarnaast zijn er tegenwoordig zeer handige horloges of dumbphones, speciaal bedacht en gemaakt voor ouders zoals wij die hun kinderen soms even willen bellen en sms’en.
Ik geloof dat veel wetten, regels en ook ons eigen beeld van de smartphone binnen vijf jaar danig zullen veranderen. Er komt een tijd dat we met weerzin terugkijken op de periode dat we jonge mensen ongebreideld hun gang lieten gaan in het verslavingsparadijs van de Amerikaanse hyperkapitalisten die niks moois willen. Alleen geld.
Want kom op, wat missen ze nu werkelijk op sociale media? Het eindeloze scrollen in een rabbit hole, waardoor ze misschien wel giftige vrouwbeelden krijgen of zeer onzeker raken over hun eigen uiterlijk? Of moet ik ze lekker blootstellen aan Snapchat, een plek waar pestgedrag eerder de norm is dan de uitzondering? Ik wil dat alle kinderen gaan lezen, dat is mijn grote missie, dus hoe dom zou het dan zijn als ik hun aandachtspanne moedwillig laat verminken door Amerikaanse technihilisten?
Het argument ‘de smartphones zijn overal, ze zijn niet meer te stoppen’ is een dooddoener voor mensen die geen vertrouwen hebben in de sensitiviteit en het intellect van hun eigen kinderen. Ze weten en voelen meer dan wij denken. We moeten alleen wel een veilige omgeving creëren. En daar hebben we elkaar voor nodig.