7 mei 2024

Column: het einde van een tijdperk

Die dinsdagmiddag was er een indrukwekkende blauwe hemel. Alsof er nieuw leven in de lucht hing.

Anna en ik lunchten op een terras op de Brink in Deventer. Ik moest later die middag nog even werken, zij zou na werktijd met de kinderen naar zwemles gaan.

Alles verliep anders.

Mijn moeder belde me een paar uur later op, in een toestand die het midden hield tussen groot verdriet en ongeloof. ‘Hij ligt in coma, hij is dood. Bel de ambulance.’

Dat mijn vader snel zou overlijden, was een jaar geleden aangekondigd. Hij kwam niet meer uit zijn bed en wilde vooral op die plek klagen over zijn lot.

Er zat wel iets merkwaardigs in zijn houding: hij was te eigenwijs om zich te verzoenen met het einde van zijn aardse bestaan, maar eveneens te koppig om waardig verder te leven. Daarom bleef hij maar in bed, als een kind dat in een impasse zit.

Voor mijn moeder veranderde er niet: zij moest altijd voor hem zorgen.

Een kwartier later stond ik in mijn ouderlijk huis. Alles was er nog kleiner dan in mijn herinnering. Iedereen condoleerde me. Maar ik wilde vooral weten hoe het ging met mijn moeder, die allerlei documenten voor zich had liggen. Haar tranen depte ze met tissues.

In het leven had mijn vader veel niet goed georganiseerd – zoals het geven van liefde en genegenheid aan zijn kinderen, maar zijn dood was tot in de puntjes geregeld. De Turkse organisatie Diyanet zorgde ervoor dat hij binnen anderhalve dag in Sivas was – zijn geboortegrond.

Ik vloog er ook heen.

We wandelden naar het familiegraf. Alle doden droegen mijn naam. Meer dan de helft kende ik niet. De kist van mijn vader werd uit een witte bus gedragen. Ik koos ervoor om toeschouwer te zijn.

Ooms, neven, dorpelingen en mijn broer tilden Turis, de bijnaam die mijn vader in Nederland opdeed omdat hij van reizen hield, naar zijn laatste bestemming, een gat van minimaal vijf meter.

Mijn moeder commandeerde de mensen. Iedereen luisterde naar haar. Ondanks haar lengte van anderhalve meter werden haar orders opgevolgd alsof ze het stamhoofd was.

Op het moment dat de kist echt onder de grond lag, moest ik merkwaardig genoeg aan René van der Gijp denken. Hij zegt altijd: ‘Je hebt maar één leventje. Maak er wat van.’

Ik schudde meewarig mijn hoofd. Wat had Turis er een puinhoop van gemaakt. Ik keek naar de lucht en die was net als in Deventer blauw en indrukwekkend.

Misschien was er toch wel sprake van nieuw leven. Maar dan voor mijn moeder. Die eindelijk rust had gevonden.